Afrika 1991-92: Amsterdam – Malawi (nl)

Onze route: Amsterdam – Malawi, overland…

Wat went zo’n groep eigenlijk enorm snel. Na twee dagen en twee nachten rijden in de truck, slapen in de truck, eten in wegrestaurants, je weer in de truck hijsen, wegdommelen, ’s nachts weer wakker worden terwijl iedereen vredig ligt te slapen, maakt dat zo’n groep vreemden al snel iets vertrouwds krijgt. Dat je met elkaar zo snel een groep kunt worden is toch iets moois. Ongetwijfeld zullen we elkaar nog wel eens gaan irriteren. En ik zal me nog wel eens in mijn schulp terug gaan trekken, maar nu voel ik me blij, vol, heb ik er vertrouwen en zin in.

Dommelen in de truck…

Aan land in Ceuta

Souk in Fez

Algerije, een frisse zon aan een van de eerste blauwe hemels op onze reis. Op een muurtje benutten Pien en ik onze truckwacht met brieven schrijven. Kinderen komen hand in hand voorbijlopen, stiekem kijkend, vaak achteraf wat fluisterend, giegelend. Waarom zouden ze lachen? Om Pien, die een envelop dichtvouwt? Om mij, als ik een wesp van me af probeer te houden? Om die rare geel-blauwe wagen waar een hele berg rugzakken in liggen? Om Pien haar linkerbeen, waar een dikke plak gips omheen zit?

Op 23 oktober, negen dagen van huis, laat Pien zich in Volubilis van een muurtje glijden, komt ongelukkig terecht en zwikt finaal door haar knie. Ik was elders, met de officiële rondleiding mee waar Pien geen zin in had, en werd geroepen. Jankend van de pijn zag ik haar tussen René en Paul in aan komen hinken. De knie zwol flink, ernaar kijken deed al zeer.

Na een nacht van heel erg stil liggen, de volgende ochtend in Fez naar een privé-kliniek gegaan, foto’s laten maken (niets gebroken), en op aanraden van de dokter voor twee weken dit gips laten zetten. Nu, vier dagen later, gaat het alweer wat beter, ze loopt alweer zonder krukken met me door de stad, langzaamaan weliswaar, maar toch. Het spannende moment wordt natuurlijk wanneer het gips er straks weer afgaat. Af en toe klaagt Pien dat haar knie in dat gips als een slap stuk elastiek voelt. En als dat nog zo is als het gips eraf gaat, dan kunnen we misschien wel weer naar huis… Die gedachte zit ons natuurlijk regelmatig dwars, maar we proberen maar zoveel mogelijk te genieten van wat er hier in Noord-Afrika te zien valt, en dat is een boel.

Een plein in Tlemcem, Noord-Algerije. Fris licht. Fris, koel bijna. Zonlicht door abelen geeft het plein met effen tegels alsnog een mozaïek. Muren en geveltjes van een moskee. Mensen, veel mensen, maar niet onprettig veel. Gemoedelijk. Meest mannen, alleen of in kleine groepjes, met gymschoenen, spijkerbroek, blouse, trui, jasje en snor. Maar veel mannen lopen ook in een allegaartje van kleren en doeken, kletsend, rondkijkend. Niet opdringerig, totaal niet. Heerlijk.

Oud baasje met dikke buik en tulband loopt mompelend langs. Gesluierde vrouwen, op het gezicht na een wandelende doek, maar ook moderne vrouwen in grijsbruine mantelpakjes en pumps. Een stalletje op de hoek verkoopt mierzoete honing-snacks. Voor hij ze je geeft veegt de verkoper eerst een paar bijen van de kleffe koek af. Om het stalletje heen ziet het zwart van de bijen.

Een man duwt een kruiwagen voor zich uit. Auto’s zijn er ook, helaas. Een puber rijdt op een brommer een show-rondje over het plein. Een tulband zag dat het goed was…


De groep valt op vele manieren in te delen. Tijdens het begin van de reis heb ik wel eens geprobeerd iedereen in te delen naar incasseringsvermogen. In die dagen kwam er op gezette tijden nog wel eens een of ander zwaar voorwerp uit het bagagerek naar beneden. En als dat vervolgens op iemands kop belandde was het aardig om te zien hoe zo iemand norsig de tas uit zijn nek viste (Cor), lachte als een boer met kiespijn als ze een rugzak op haar kop kreeg (Machteld), of breed bleef schuddebuiken als een tent met stokken een voltreffer gaf (René).Later begonnen we de bagage helaas steeds praktischer in te delen. Daar bemoeide de een zich dan natuurlijk meer mee dan de ander, wat weer een nieuwe indeling opleverde naar hoeveel iedereen aan het klussen was voor de groep. Hoewel er uitschieters naar beneden waren (Anne-Marie en Elina die het ’s ochtends nog veel te druk hadden met “tuttelen en doen”) en naar boven (Remco die werkelijk altijd klaarstond om te klussen, zeil te rollen en hout te hakken), was er toch eigenlijk een vrij grote middenmoot die altijd wel flink meedeed.
Het onderscheid in puin-makers en puin-ruimers leverde de weken daarna een nieuw criterium. Bij puin-maken bleek vooral de kwaliteit van de rotzooi een belangrijke rol te spelen. Zo leverde een hardnekkig terugkerende vieze onderbroek mijzelf een slechte naam, hoewel dit kwantitatief niet voorstelde in vergelijking met de complete rugzakken die Toine liet slingeren. Aan rondslingerend fruit maakte de hele groep zich schuldig, en vaak was moeilijk te bepalen wie nou de schuldige was: diegene die de overrijpe papaya gekocht had, diegene die hem achterin aanpakte en op de stoel naast zich neerlegde, diegene die daar weer een trui op liet vallen, of was het toch diegene die zonder te kijken op die trui was gaan zitten?

Natuurlijk is een indeling naar specialisme te maken. Dan ben ik er voor de plantjes en vogels, Paul voor het rekenwerk en de techniek, Anne-Marie voor haren knippen, Pien voor de EHBO, Carla let op kleding, en de chauffeurs hebben hun handen vol aan de truck.

Hollywood in Algerije.Eerste bedrijf. Als het doek opgaat is er een brede, betegelde straat, een soort promenade, met aan weerszijden huizengalerijen met roze bogen. Tamarindes verlenen het decor schaduw tegen het schelwitte zonlicht. Een wirwar van telefoonlijnen snijdt de hemel aan stukken. Er staat een flinke bries, die af en toe een wolk fijn rood stof door de straat doet stuiven.

Op het terrasje voor een café zitten magere mannen met donkere snorren, slobberende colberts en scherpe neuzen, stil, als figuranten.

Aktie. Een gigantisch dikke neger komt de straat op en zwaait rechts een café binnen. Een paar tellen later komt hij met een pak bankbiljetten weer naar buiten en wiegt langzaam uit beeld.

De camera zwenkt verder en blijft staan op een mannetje die naast een doos sigaretten op straat zit. De sigaretten zijn per stuk te koop. En over de prijs valt te onderhandelen, zo te zien aan de drukke gebaren die hij met een klant tegenover hem uitwisselt.
Een oud baasje met een lang lichtbruin gewaad en tulband loopt met een knarsende transistor-radio aan een touw om zijn nek voorlangs door het beeld. Hij luistert ingespannen naar het arabisch wat soms tussen de piepen en knarsen van zijn radio doorklinkt. Helaas ontbreekt de ondertiteling.

Dat er niet ondertiteld wordt is sowieso jammer, want aan de tafeltjes aan het terras wordt druk gepraat over zaken waar vrienden aandachtig of glimlachend naar luisteren.

Twee mannen staan op en lopen hand in hand weg. Een derde loopt demonstratief met een mapje onder zijn arm, ten teken dat hij kan lezen. De schone blouse onderschrijft nog eens dat deze man dus niet de hele dag stenen hoeft te kleien in een leemkuil, en niet als mechanicien de hele dag in de olie onder het wrak van een peugot hoeft te liggen, en niet als huisvrouw…, maar die spelen in deze arabische film sowieso niet mee, zo te zien.

Plots zwaait Pien voor de camera. Er wordt weer nederlands gepraat. Boodschappen, kookbeurt. Ik voel opeens weer overal de vliegen op mijn hoofd. Vanmiddag maar eens naar een hamam.

Er zijn twee soorten reisverslagen. Het eerste soort verslagen gaat over de schoonheid, de afstotelijkheid. Beschrijvingen van natuur, mensen, gewoontes. Het andere soort verslagen verhaalt van de avonturen, de ontberingen, het lijden, de dialogen.Het eerste verslag gaat over het Hoggar-gebergte. Over kale hoogvlaktes bezaaid met donkere keien, ware maanlandschappen, afgewisseld met stijle bergtoppen, die toch steeds weer per verrassing opdoemen. Tafelbergen, puisten, orgelpijpen, ketens met grillige, rafelige toppen, donker afstekend tegen oranje en violette avondluchten, lange schaduwen werpend op de vlakte.

Of over een ochtend-panorama van halfronde bergtoppen in de schemer, de achterste toppen in steeds lichtere tinten grijs verblekend in het morgenlicht, als een papier-collée, een Tolkien-landschap. De zon, die als een rafelige oranje bal snel omhoogklimt, de zwarte puntjes van de zonnevlekken zelfs met het blote oog zichtbaar.


De ingang van het Hoggar gebergte

Het andere verhaal gaat over het onderhandelen om tot een goede prijs te komen voor de jeep die ons naar de top van dat Hoggar-gebergte moet brengen. Het vertelt over het wachten op de jeeps die niet op komen dagen, het uiteindelijke vertrek, drie uur te laat, met twee overvolle in plaats van de afgesproken drie jeeps. Het scheuren door de vlakte, de zon al dalend, maar de zonsondergang op de top nog steeds haalbaar, insallah (als het Allah behaagt).

Dan de eerste lekke band. De buitenbanden blijken volslagen profielloos en stukgereden te zijn. Toch maar verderrijden, insallah. De tweede lekke band, precies halverwege de 80 kilometer lange route van Tamanghasset tot de Assekrem, het uitzichtpunt met de beloofde zonsondergang, insallah.

De tweede lekke band…

Maar het behaagt Allah allang niet meer. De tweede jeep wordt achtergelaten. Eén groep rijdt in jeep 1 door naar de top, de rest gaat een vuurtje stoken, kletsen, dutten en wachten tot de jeep terugkomt om ook hun op te pikken. Midden in de nacht komt de jeep terug, als een maanwagentje in het duister. We laden ons in en warmen weer wat op. Schuddend en klutsend gaat het verder naar de top, insallah. Om twee uur ’s nachts, 12 km vóór de top, opnieuw een lekke band, inmiddels de vierde, want jeep 1 had bij de eerste reis naar de top ook al een lekke band gekregen. De binnenband wordt verwisseld, bij het oppompen blijkt bij de verwisseling een foutje gemaakt en de oude lekke band er weer ingezet te zijn. De kou en vermoeidheid begint toe te slaan, ik kan al niet meer lachen om de vergissing. Opnieuw wisselen, oppompen. Inmiddels begint de dynamo kuren te vertonen. Er moet aangeduwd worden, de koplampen scheiden ermee uit, een straaltje licht uit een zaklantaarn blijkt voor de chauffeur voldoende om het pad te blijven volgen tussen de rotsblokken. Op vijf kilometer van de top slaat de motor wéér af, om nog weer een andere, onbekende reden. De chauffeur geeft het op, zegt dat we verder maar moeten gaan lopen. Om vier uur ’s ochtends bereiken we de herberg aan de voet van de Assekrem, moe, koud, hongerig. De kok laat ons in en warmt de couscous op. Na een hazeslaapje klimmen we het laatste kwartiertje naar de top, nog net op tijd voor niet de zonsondergang, maar haar opgang. Insallah.

Zonsopgang in het Hoggar gebergte
Grensovergang Algerije-Niger. Weer dat witte licht. Fotogeniek, maar te flets voor foto’s. Wit zand, bruine lemen gebouwtjes, zwarte negers in groene pakken en met glimmende karabijnen. Voor de gebouwtjes tientallen auto’s, vrachtwagens, en touaregs met kamelen, allen wachtend voor de douane-formaliteiten. Fruitventers lopen rondjes langs de verveeld wachtende reizigers. Een kleine ophoping van mensen in een ruimte die lijkt uit te dijen hoe langer je ernaar kijkt, één enorme bol van geel en blauw, met rondom één lange horizon, als scheidslijn tussen de zandbol en de luchtbol.Uit de verte komen kleine karavanen kamelen beladen met zakken aanlopen. De touaregs in hun blauwe gewaden lopen voorop, gestaag met passen die in vergelijking met de telgangende kamelen belachelijk snel lijken. Maar ze lopen in kadans, ongemerkt marcherend, ervaren lopers goed voor dagmarsen van 60 kilometer. De kleine karavanen komen allemaal uit dezelfde richting vanuit het niets in een rechte lijn naar onze grensovergang gelopen. Flauwekul-grens tussen niets en nergens. Een paar gebouwen middenin de zandvlakte. Met een paar corrupte ambtenaren die kado’s van je willen, of anders de zaak gaan traineren.

Ruim vijf uur later hadden we het gewraakte stempeltje en konden we verder. De gebouwen verdwenen snel achter ons uit het zicht. En daar reden we weer, van niets naar nergens, over die prachtige vlakte die aarde heet.

Touareg bij de grensovergang

 

 
Mosque and market, Djenné, Mali.
 
We hadden er al een halve dag van onderhandelen en eten inslaan opzitten, toen we om 10 uur ’s ochtends eindelijk in een pirogue (kano) de rivier opvoeren. “Wij” waren René, Marion, Remco (vers uit Nederland), Pien en ik, met George en Henry als “bemanning”. De rivier was de Oubangi, een honderden meters brede stroom, die zich traag door een eideloos oerwoud naar de West-Afrikaanse kust bewoog. Zo ook wij, traag dobberend, op de hardhouten bankjes van de pirogue, puffend van de vochtige hitte. Henry en George proberen het midden van de rivier aan te houden om te profiteren van het kleine beetje stroming wat er staat. Pas na verscheidene malen aandringen gaan ze met tegenzin zo dicht langs de oever dat we af en toe wat schaduw van het oerwoud ontvangen en meer van het leven op de kant kunnen meemaken: Overal kleine dorpjes, de ronde hutten pal aan de waterkant, zwaaiende, wassende en luierende mannen en vrouwen, spelende kinderen, groepjes papagaaien vliegen lawaaiig rond, een reusachtige neushoornvogel zeilt tussen de kruinen van de zestig meter hoge bomen door. Overal pirogues en vissers. Speelgoed-pirogues met kinderen van een leeftijd waarop ze bij ons nog geen zwembad gezien hebben, pirogues die volstaan met water waarin maniok-wortels liggen te weken en stinken, pirogues met vissers. Vissers met hengels, vissers met werpnetten, vissers met fuiken, vissers met bamboe-vallen. Een opa en oma komen met een pirogue overladen met maniok, banaan en brandhout langszij, op weg naar de markt in Bangui, rustig tegen de stroom op peddelend, in perfekte kadans.

Passerend vrachtbootje

En terwijl wij zo onze ogen uitkijken naar het leven op de oever, raken onze zitvlakken steeds meer uitgekeken op het tropisch hardhout van onze plankjes, en zijn we blij als we tegen het einde van de middag Zimba bereiken en onze ruggen kunnen rechten.

Om van de gastvrijheid van het dorp te kunnen genieten, dienen wij ons eerst te melden bij de chef van het dorp. Gewapend met een pakje sigaretten en aansteker gaan René en ik met George en Henry samen op bezoek. De streek-chef, een jongen van nog geen dertig jaar,

blijkt niet te roken. De dorps-chef, een oude baas, wil ze echter wel hebben als pruimtabak, zodat het pakje toch nog opkomt. De jongen is allervriendelijkst, en we zijn dan ook van harte welkom.
Zimba is een prachtig dorp, met al zijn hutjes, uitkijkend over de brede rivier. De mensen lopen in T-shirts met korte broek of in doeken, en zien er goedgevoed en tevreden uit. Er is veel te doen: er worden koffiebessen gedroogd en gebrand, maniok gedroogd en bewerkt, visnetten geboet, grote boomstammen uitgehold tot nieuwe pirogues. Een oud mannetje is manden aan het vlechten met hetzelfde eindeloze geduld waarmee de Oubangui naar de zee stroomt. Iedereen groet ons vrolijk gedag als we langslopen.

Nadat we op het erf achter het huis van de chef ons eigen potje gekookt en verorberd hebben (macaroni), zitten we nog een tijdje na te genieten, en wordt er nog een kolf van het plaatselijk gedestilleerd aangerukt. “Baku” heet deze borrel, gemaakt van o.a. maïs. Volgens Pien ruikt het naar kuilvoer. De borrel gaat rond, en iedereen neemt op zijn beurt een bescheiden nipje. Tot Henry aan de beurt is en laat zien hoe “echte mannen” drinken, door het hele glas achterover te slaan. Wij vinden Henry inmiddels al niet zo’n “echte man” meer: Als het op peddelen aankomt doet George veruit het meeste werk. Nee, Henry ligt eruit. De volgende beker die rondgaat komt pas bij Henry als er nog maar een slokje inzit.

Op de achtergrond klinken trommels en gezang. Terwijl de anderen, bekaf van vroegop, zon, en alle indrukken, onder hun muskietennetten kruipen, slepen Marion en ik ons met ons laatste restje energie naar de plaats waar we de muziek vandaan horen komen. Daar staat Jan en alleman lekker te swingen en te zingen bij een vuurtje. De maan schijnt zilverwit over de Oubangui. Het ziet er te mooi uit om waar te zijn. Helaas kunnen we niet meer, de slaap tolt door mijn hoofd. Naast Pien lig ik nog even te luisteren naar de feestgeluiden. Ergens in de bush aan een rivieroever in Centraal-Afrika val ik in slaap.

Het ritme is zo aanstekelijk dat je wel móet meeklappen. Het enthousiasme zo groot dat je wel móet meelachen. De bewegingsdrang zo groot dat je wel móet meedansen. Op psalm-muziek wel te verstaan.Plots is het stil, alsof er ergens een onzichtbare regisseur aanwijzingen geeft. Een jongen van nog geen twintig jaar ontpopt zich als dominee en begint te preken. Over lammen die hun bed oppakken en wandelen. Hij maakt alles heel aanschouwelijk.
De hele gemeente luistert. Nu ja, de hele gemeente… Voorin zijn kleine kinderen vooral druk met elkaar aan het stoeien, vrouwen lopen af en toe weg of komen juist weer binnen, een peuter poept ergens op de grond. Een kip die tussen de spijlen van de bamboe kerkmuur heen komt stappen wordt snel weer naar buiten gejaagd, nog voor ze de schaal maniok-brokken (het lichaam van Jezus bestaat in Zaïre uit maniok) heeft kunnen bereiken.

Na de preek volgen meeslepende belijdenissen vanuit het publiek, dan nog weer meer zang en dans, en dan nog weer een preek. Het is alweer twee uur aan de gang en ik houd het voor gezien. Zonder dat iemand ervan opkijkt schuivel ik tussen de banken vandaan de hut uit, het zonlicht in. Een uur later hoor ik op de achtergrond nog steeds het onvermoeibare gezang en geklap.

Eén en al concentratie…, korte broek, geweer over de arm, langzaam door de beek stappend, met z’n ogen voortdurend door de boomtoppen en langs de oever speurend… Zo zagen we hem naderbij komen door de beek, uit de groene jungle tevoorschijn komend als uit het niets. Pas vlak bij ons stopte hij, keek ons aan en beantwoordde vriendelijk onze groet. Open hand, geen wapens, wij komen in vrede.Soms is het er, die zeldzame mix van nieuwsgierigheid van de een en bereidwilligheid om te vertellen van de ander. Die ochtend was het er. Toin en ik op de rand van een bruggetje, de jager wijdbeens staand in de beek.

Wat hij zoal schoot? Vooral aap, zwijn, antiloop. En vandaag? Niets gevangen…Nu ja, dit jonge eekhoorntje dan (hij houdt z’n hand op, waarin een klein bolletje eekhoorn zich dood probeert te houden), maar dat is enkel een speelgoeddier voor de kinderen. Of hier ook olifanten zitten? Ja, maar een eind verderop in het woud. Hij had ze wel eens geschoten, ja. Maar het
kopen van ammunitie was een probleem. Gister had hij maar geld voor enkele patronen. Als hij zonder patronen zat kon hij enkel nog met honden jagen.

Of hij getrouwd was? Ja, met twee vrouwen, en hij had zeven kinderen. 31 jaar. Als ik hem vertel dat ik 33 ben en nog steeds geen kinderen heb, staat hij te schuddebuiken van het lachen. En Toin met zijn nul of twee vrouwen… Hij lachen, Twee vrouwen is toch prima? Hij legt uit hoe hij voor elk van zijn vrouwen een aparte ronde hut heeft gebouwd. Zelf woont hij in een rechthoekige hut ertussenin. Die “mannenhut” moet wel rechthoekig zijn, want daar zit nog een tussenmuur in, met een apart logeer-gedeelte voor gasten.

Plotseling klinkt er geronk en verschijnt de gele snuit van onze truck op de lemen hoofdweg door het oerwoud. Vrolijk nemen we afscheid. De rest van de dag zit ik de ronde en vierkante hutjes in de gaten te houden.

Vanochtend al om half vijf opgestaan. Reden? Het gerucht ging dat de politiepost in Aketi $1000,= immigratie-belasting van passerende touristen eist. Wij reden er dus maar in alle vroegte langs, geen politie gezien. Even achter Aketi stond een truck met een kapot achterwiel midden op de weg, wat ook moeilijk anders kan met een weg die precies één truck breed is. Drie uur lang zijn we met pikhouwelen, bijlen en schoppen in de weer geweest om de berm eromheen uit te graven, net zolang tot we erlangs konden.

Brug-passage in het oosten van Zaire, plank voor plank…

Later op de dag stond er nog weer zo’n truck, maar die werd gelukkig juist weggesleept…Wij hadden een noordelijke route, om Kisangani heen, aangehouden en deze weg was duidelijk na de vorige regentijd niet onderhouden: Geulen maakten dat ze meer weg had van een grillig uitgesleten rivierbedding dan van een nationale hoofdweg, en we konden er vaak nog geen 10 kilometer per uur rijden.Een ander oponthoud vormden de bruggen. Op twee daarvan lagen veel te weinig planken, zodat we steeds de planken van achter de truck weer naar voren moesten leggen. Daarbij was het zaak óp de dwarsbalken te blijven stappen, en niet ertussendoor in de gaten met uitzicht op een 10 meter lager stromende rivier.De hitte en het harde werken samen maakte dat het zweten met drinken niet meer aan te vullen was: Veldflessen vol water, bekers soep, koppen thee, limonade, en nóg de hele dag niet geplast…Vanavond hebben we ons kamp op een prachtige plek onder drie enorme bamboe-bossen opgezet. Terwijl bamboe overdag zelfs in de felle zon nog een sombere schaduw weet te geven, blijkt het bladerdek de warmte van de dag ´s avonds extra lang te vangen.Vlak voor zonsondergang nog even alle zweet en stof van de lange dag afgewassen in de beek. Daarna langzaam, heel langzaam, teruggelopen naar de truck. Hopend de verkoeling nog even vast te kunnen houden. Maar halverwege voelde ik het warme zweet alweer over mijn rug gutsen, en sloot de hitte me alweer als zijn onontkoombare kooi.
Dat pygmeeën klein zijn wisten we al. Maar dat er nog zoveel meer aan ze te zien was op een dagje “pygmeeën kijken”, hadden we niet gedacht.Anderhalf uur duurde de tocht over een wirwar van smalle paadjes, dwars door het dichte Ituru-oerwoud bij Epulu. Zelfs onze gids Emanuel, in z’n groene pak, z’n geweer over z’n schouder, vergiste zich een keer in het doolhof. Er passeerden ons al af en toe van die kleine mannetjes, vrouwtjes en kinderen, en we wisten inmiddels dat ze snel kunnen lopen, hard kunnen praten en kunnen tamtammen door met hun handen hard op de reusachtige plankwortels van een bepaald soort woudreus te slaan.

Maar pas toen we in hun dorp aankwamen, met iedereen hadden handen geschud, en op ingenieuze krukjes van vier stokken plus een touwtje hadden plaatsgenomen, en toen het verplichte kwartiertje souvenirs kijken en kopen was gepasseerd, toen pas zagen we hoe ontzettend veel er aan die pygmeeën te zien viel.

Het dorp is niets meer dan een kleine open plek in het oerwoud, waar een tiental ronde hutten op de kale grond staan. Met één zo’n hut waren ze nog bezig: een raamwerk van gebogen twijgen werd dakpansgewijs bedekt met grote boombladeren. Meer werk wordt er niet van gemaakt. En waarom zouden ze, om de paar maanden trekken ze immers verder naar een nieuwe plek. Dan laten ze de boel eenvoudigweg achter en kan het oerwoud de plek weer overnemen.

Het eerste wat opviel was de rook. Overal hing een dikke blauwe walm van vuurtjes en pijpen. En dan waren er die koppen: Prachtige gerimpelde, opgebrande oude-mannen koppen, of de kop van de cheffin met een onderlip tot aan haar neus, of de koppen van de kinderen

waarvan je de leeftijd met geen mogelijkheid kon schatten. Gelukkig kende Emanuel het dorp op z’n duimpje, sprak hun taal, en wist hij van iedereen van welke familie hij kwam en hoe oud ie was. De oudste mannen van het dorp waren volgens hem hooguit 40 jaar, ook al zagen ze er hoogbejaard uit. En ouder worden ze ook niet. Op de een of andere manier zijn ze op die leeftijd dan al op. Misschien omdat ze vanaf hun tiende al beginnen te roken als schoorstenen en drinken als orgels?

Dan begint de aandacht te verschuiven naar wat ze aan het doen zijn: En het eerste wat opvalt is dat ze gelukkig helemaal hun eigen gang gaan, en zich niks aantrekken van die paar lange lijven die onhandig in elkaar gezakt op hun takken-stoelen om zich heen zitten te kijken. Ongestoord konden we kijken en fotograferen hoe ze bezig waren met het gereedmaken van de netten voor de jacht, met het boeten van nieuwe netten, het repareren van pijlen, het roken van grote bamboe pijpen, het roeren in potjes, eten van rijst, stampen van maniok, het spelen van kinderen, het slijpen van messen, het snijden van lepels. Iedereen is zo wel met iets bezig, kriskras door elkaar zittend en pratend, vooral veel pratend…

Niet alleen vinden ze het leuk om veel te praten, maar het is ook hun enige vorm van “overdracht”. Waar wij boeken, kranten, school, radio en tv hebben, zitten zij te praten. De oude mannen met de jongens, de oude vrouwen met de meisjes. Praten is meteen ook lezen en leren.

Maar het was alweer tijd voor de jacht. Wij zouden mee, dat was onderdeel van de excursie. Daarvoor moesten we opnieuw de jungle in, over nog smallere paadjes. Tot we bij een plek kwamen waar iedereen bij elkaar rond een vuurtje zat. Een vuur ter ere van de voorouders… Die moest je te vriend houden, je had ze nodig bij de jacht. Die jacht gebeurde met lage netten. Er werd in recordtijd 500 meter net door het bos gespannen en voor de rest was het een simpele drijfjacht. Wij moesten ergens bij het net blijven zitten, en de hele club van zo’n twintig pygmeeën verdween in het struikgewas. Wij wachtten. Soms hoorden we een brul, geroep of geklap, maar dan was het weer een hele tijd stil. We begonnen al te fantaseren dat ze met z’n allen lachend terug waren gelopen naar het dorp, ons als klein duimpjes achterlatend. Maar plots klonk er toch weer wat lawaai in de verte en Emanuel kon horen dat er wat gevangen was. Wij erop af, en inderdaad, een paar honderd meter verderop vonden we een clubje pygmeeën vrolijk en met het mes in de aanslag rond een blauwe duiker, die in doodsangst gillend in het net verstrikt lag. Er werd keurig gewacht tot wij er waren en al onze camera’s in gereedheid hadden, en toen ging het mes op de keel en sneed het met een paar heen en weer gaande bewegingen door huid, vetlaag, luchtpijp en halsslagader. Door vervolgens nog een keer met het mes in de onderliggende halswervels te prikken, hield ook het spartelen op. En met een laatste stuiptrekking was het gebeurd. Zo met m’n neus erbovenop had ik nog nooit gezeten, en ik moest mezelf dwingen om te blijven kijken. Kijken naar de normaalste zaak van de wereld: het doden van je prooi. Els en Anne-Marie keken vanaf een veilige afstand mee, en dan nog voornamelijk de andere kant op. Pien zat er met haar neus bovenop.

De opengesneden hals werd rondom dichtgesnoerd met bladeren die met een liaan met de achterpoten verbonden werden. Zo kon het antiloopje, de tong uit de bek, handig als draagtas over de schouder meegenomen worden.

Duiker als draagtas

  

De vangst van duikers met netten

Even later vingen we ook nog een vrouwtje van de blauwe duiker en een jong. We hadden een heel gezinnetje te grazen genomen. De jagers waren zeer in hun nopjes. Eén kwam ons zelfs handenschuddend bedanken. Klaarblijkelijk hadden wij hun geluk gebracht.

Aan een net zitten twee kanten, en dus verdween de gemeente vervolgens aan de andere kant het oerwoud in, ons weer wachtend achterlatend. Ook nu weer geroep en gejoel in de verte. En nu herkenden we zelf al de noodkreet van nog weer een duiker. Dit keer was een rode duiker de klos. Ook deze werd gedood door zijn keel met een schijnbaar bot mes dor te zagen. Deze duiker werd vervolgens echter meteen geslacht. Een heel stel kinderen kregen ieder een deel van de verschillende ingewanden in de grote bladeren die ze hiervoor ophielden. De darmen werden alvast keurig tussen twee vingers leeggeknepen en ieder kind vouwde zijn eigen soeppakket zorgvuldig met een stel stengels dicht. De rest van de duiker werd op Afrikaanse wijze in een aantal handzame delen gesneden en ook weer in bladeren verpakt. Terwijl de honden de restjes bloed van de grond likten, zat voor ons de jacht erop. Verderop hadden ze nog twee duikers gevangen, wat het totaal op zes duikers bracht. Een zeer goede vangst, want vaak vangen ze überhaupt niets.’t Gekke van zo’n pygmeeëndorp is dat het op het eerste gezicht één grote familie lijkt, maar dat het leven zich toch veel meer in gezinsverband afspeelt. Zo spannen ze weliswaar met z’n allen die 500 meter aan netten, maar heeft elk gezin z’n eigen netten en is een duiker het rechtmatig bezit van de eigenaar van dat ene net waar hij toevallig inliep. De enige die verder nog recht op een stuk van die duiker heeft is diegene die hem vindt en pakt. Op de voor de hand liggende vraag wat er dan gebeurd met gezinnen die niets gevangen hebben, antwoord onze vraagbaak Emanuel dat de pygmeeën een sociaal volk zijn en dat de pechvogels meestal wat ingewanden en dergelijke krijgen. Maar klaarblijkelijk is het bij de pygmeeën dus wel degelijk loon naar werken (en geluk).

En na gedane arbeid is het weer goed rusten voor onze mannekes: de pijpen worden weer gestopt met tabak, hash en wat er al niet meer rookbaar en geestverruimend is in zo’n oerwoud. En ook het gedestilleerd gaat rond.

De kinderen beginnen hun eigen soeppakket te bereiden, moeders en dochters zijn aan het kokkerellen met die eeuwige maniok, een oude baas warmt een kliekje rijst op, kinderen klimmen als dolle apen in een kale boom, een moeder kijkt trots toe hoe haar dreumes daartussen hangt.

Wij doen ons tegoed aan macaroni en gepofte aardappels met maggi-blokjes. De chef gaat met blokjes van de “zelfgeschoten” duiker rond. In een soort geel kerrie-vocht. Lekker, maar niet echt bijzonder.

In een hoekje van het dorp wordt nog gedanst, maar wij hebben amper fut meer. Terwijl vlak buiten de hut iedereen nog druk met elkaar om kampvuurtjes heen ligt te praten, vallen we onder onze klamboe in een klein maar fijn pygmeeën-hutje in slaap.

Betoverend! Je verwacht dat er elk moment een grol met een sprong tussen de kronkelende wortels tevoorschijn zal springen op het pad, om verder springend weer tussen de dikke kussens mos te verdwijnen. Je kan erop wachten tot de elfjes aan komen zweven over de lichtgroene mosvelden, tussen de met gordijnen van baardmos behangen bomen door. De flarden mist van de wolken waar we hier op 3500 meter doorheen lopen maken het sprookje compleet. Het sprookjes-bos van het Ruwenzori-gebergte.

Reuzenheide in het Ruwenzori

Nu komen we in het gebied waar deze bergen hun bijnaam “Mountains of the moon” aan danken: Reuzenlobelia’s en reuzenkruiskruid vormen met vette bladrozetten en lange bloeitoortsen een cactus-achtig maan-landschap.

Reuzenlobelia, hogerop in het Ruwenzori

Nog een paar honderd meter hoger en de vegetatie veranderd plotseling weer volkomen!

Pas als aan het eind van de dag in de verte de gletsjers in zicht komen, krijgt het landschap weer iets bekends, iets van de alpen.
De keerzijde van deze prachtige medaille was natuurlijk de inspanning. De inspanning om via dat trappenhuis van boomwortels meter voor meter op te klimmen naar de volgende hut, 1000 meter per dag stijgen. Bij elke pas je hart voelen kloppen. Hijgen van de inspanning, of van de ijle lucht, of allebei. In hut 3 hebben we ’s nachts geen oog dicht gedaan, omdat elke keer als we in begonnen te dutten, we vanzelf weer hijgend wakker werden omdat de ademhaling daar te langzaam voor ging…En dan het afdalen: Totaal gebrolen kwamen we beneden aan, na 2400 meter `traplopen`, met bovenbenen die totaal niet meer wilden, schuin lopend om toch nog wat spieren te gebruiken die nog wel wat weerstand wilden bieden tegen de zwaartekracht. Monty Pithon’s Department of Silly Walks was er niks bij.Het “stap-langzaam” tempo wat Pien en ik aanhielden heeft ons er denk ik doorgesleept. Voor mij was het een “meteen wéér”-ervaring, voor Pien een van “dit nooit meer”, maar allebei vonden we het prachtig

. 

We waren inmiddels alweer een tijdje onderweg, toen we ’s middags de ingang van het Queen Elizabeth National Park bereikten, en voor het eerst kennismaakten met William.

Die ochtend waren we al om half acht op. Ontbeten met koffie en mwandza, een stevig soort in olie gebakken koffiebroodjes. Daarna vlot de Ugandese douane door en twee matatu’s verder waren we op de afslag naar Katwe, en was het alweer warm. Op het marktplein stond de matatu voor Katwe al klaar, maar door ergens hoog in de lucht boven de achterbak te wijzen werd ons duidelijk gemaakt dat er eerst nog meer bagage ingeladen moest worden. Een uur later was het zover en konden we bovenop een twee meter hoge berg bak-bananen plaatsnemen, handen inhakend met zes Ugandezen om toch vooral met z’n allen tegelijk om te komen. Kreunend op z’n achterassen kachelde de auto de markt af. Op zich zat het eigenlijk best lekker, zo’n verende berg bak-bananen.

Lokaal vervoer in Oeganda

En als de weg naar Katwe niet één dorre vlakte was geweest, waar windhozen het stof als een dikke grijze laag op onze huid afzetten, dan had het zelfs gerieflijk kunnen zijn.

Katwe had veel weg van een stadje uit de eerste de beste Western: Eén brede stoffige straat, met daarlangs een pompstation, een bar met dames van lichte zeden, en nog wat huisjes. Iedereen werkte in de zinderende vlakte van een nabijgelegen zoutmeer. Her en der lagen er stapels grijze brokken zout. Na een uur wachten in dit door god verlaten oord, bracht nog weer een andere matatu ons bij William.

“Woudloper” was de eerste typering die bij me op kwam, toen we hem bij de toegangspoort van het park druk bezig zagen om twee Ugandese jongens aan het werk te krijgen bij het afgraven van een laag grond rond een splinternieuwe portiers-woning. Kort, breed, gespierd, met een grijze stoppel op een groot hoofd, waarin scherpe groeven rond neus en mond een contrast vormden met de sympathieke uitstraling van de grijze ogen.
Natuurlijk konden we een lift naar de lodge in het midden van het park krijgen, zei hij, en ging onderwijl onverstoorbaar verder met het afmaken van zijn klus. Eén van de jongens kreeg een uitbrander: “Don’t be so damned lazy!”

Even later zaten we achterin z’n jeep en reden we over een zandweg het park in. Of we links die buffels hadden gezien? Nee, dus reed hij alsnog van de weg af, kris kras tussen een paar bosjes door, en daar stonden we plots pal voor een grote kudde buffels, die met z’n allen terugstaarden naar ons. Hij wees op een bruinkleurig wijfje, dat een kruising was tussen de gewone zwarte buffel en een bruine variëteit uit Zaïre.

Buffels, Queen Victoria Park, Oeganda

Nadat we snel de dreigende koppen hadden gefotografeerd, zaten we voor we het wisten alweer op de zandweg, om even later in de diepte langs een waterkant onze eerste grote kudde olifanten te zien staan. Uit de jeep gestapt stonden we oog-in-oog met een mannetje waterbok, die ziek was. William wees op een zwarte plek achter het oor van de bok. Veel waterbokken en kob’s antilopen leggen door die ziekte het loodje. Nee, die olifanten daar beneden, daar ging het inderdaad puik mee, vertelde hij toen we opmerkten dat er zoveel jongen tussen zaten. De aantallen olifanten en nijlpaarden zijn nog nooit ergens in Afrika zo snel toegenomen als de afgelopen jaren in het Queen Elizabeth Park.

 

Die beesten waren dan ook nergens zo dramatisch afgeslacht als hier in de periode ’73 – ’79, toen de terugtrekkende troepen van Idi Amin zich ook aan het grootwild gingen vergrijpen…Maar voor we het wisten zaten we alweer in de jeep en reden we Mweya Lodge binnen. William vroeg waar we wilden overnachten, checkte meteen of daar nog plek was, niet dus, en had voor we het in de gaten hadden een nood-adresje in de bungalow van zijn broer geregeld. Toen wij nog aan het rondkijken waren in de bungalow, en huishouder Freddie bezig was thee voor ons te zetten, was William alweer vertrokken…De paar keer dat we hem de dagen daarna nog tegen zouden komen, zouden hetzelfde verlopen: Een druk baasje, zakelijk, toevallig ons pad kruisend en dan uiterst behulpzaam. Maar ook meteen weer weg. Tussen neus en lippen door wat loslatend over z’n leven. Over z’n werk hier, het wildparkbeheer wat hij al tijdens de burgeroorlog op zich had genomen, dat hij op de Ugandese park-wachters heeft staan vloeken als ze ophielden met het blussen van een savanne-brand omdat ze moe waren, maar ook dat hij met speciale wissel-trucks het salaris van diezelfde jongens wist veilig te stellen voor de corruptie van het hoofdkantoor in Kampala. Dat hij niet meer naar Duitsland terugwil. Dat hij misschien wel weer wat anders wil, Zambia of zo. Dat hij in een tijd van vlees-schaarste buffelvlees van een leeuwin heeft gestolen.Na een dag vol pelikanen, mongoesen, nijlpaarden en olifanten, keken we ’s avonds in het hotel naar een video over natuurbescherming in Uganda. De titelrol kwam tot stilstand bij twee namen: Willem und Peter Möller. Zeg maar William, dus…

 
Safari’s zijn een foto-verslindende aangelegenheid.Dat komt vooral door de onhebbelijkheid van al die beesten om zich nooit meteen op hun mooist te laten zien.

Neem nou de giraffes. De eerste giraffe staat natuurlijk nog op 100 meter afstand. Maar ja, die schiet je toch maar voor de zekerheid, want je weet dan nog niet dat het hele Serengeti reutelt van de giraffes. Zo’n eerste giraffe blijft natuurlijk op een veilige afstand van die kluit mensen die zich staan te verdringen bovenop zo’n truck.

De tweede giraffe staat natuurlijk dichter bij, zodat dat weer een foto kost. Klik! En dan draait hij zich plots met z’n kop in onze richting en staart ernstig aan met van die grote zwarte ogen. Klik! Klak! Dat waren er weer twee. En een kilometer verderop staat er eentje nóg veel dichter bij, met weer die doodernstige blik, de lange oogwimpers haarscherp te zien, de neusgaten langzaam op en neer gaand met zijn ademhaling. Klak! Klik! Weer twee. En dan zien we er eentje bijna over het hoofd, omdat je nu eenmaal geen giraffe op minder dan 10 meter afstand verwacht, het hoofd gebogen over een tafelblad acacia, waar ze met haar lange, beweeglijke tong tussen de witte stekels door de blaadjes uit de boomkruin weet te raspen. Klik! Klik! Klik! Het korte zoem-geluid waarmee de automatische kamera’s van Anne-Marie en Toine doordraaien, geven het idee dat er een persconferentie aan de gang is. De giraffe kijkt de truck rond: “No further questions?”.

Als we de truck twee meter achteruit laten rijden, om het beest er nog beter op te krijgen, wordt het toch zenuwachtig en gaat er als in een vertraagde film vandoor: Eerst slaat het zijn voorpoten naar voren uit. De kop zwenkt mee, in een beweging die zich als een golf door de lange hals heen plant. Klik! Daar is de dierentuin toch niets bij. Klik!

Maar als je zo’n 10 foto’s later denkt dat je alles van de giraffe nu wel gehad hebt, en je al zorgen gaat maken over hoe je hier thuis een selectie uit moet gaan maken, dan blijken giraffes plots ook nog in hele kuddes tegelijk op de foto te kunnen. Klik! En met jongen rond te lopen. Klik! Klik! En als in het avondlicht hun bruine vachten nog mooier opkleuren tegen de achtergrond van een goudgele savanne met nog groenere acacia’s, is dat goed voor nog een paar plaatjes. Klik! Klak! En zo weet één soort je dus al zo gek te krijgen dat je zo’n twintig foto’s aan ‘m spendeert. En dan heb je de olifant, leeuw, buffel, nijlpaard en buffel nog te gaan…

Nou lieten de olifanten zich in de Ngorongoro-krater gelukkig niet zo dicht benaderen, zodat de schade wat die soort betreft beperkt is gebleven. Het bleef beperkt tot een plaatje van een olifantenkont in hoog gras.

Ook de zwarte neushoorns deden het gelukkig kalm aan, door met z’n tweetjes op een vast stekkie te liggen en zich niet te verroeren. Dan kan je een voorkant filmen, vervolgens eromheen rijden en de achterkant filmen, maar dan heb je het ook wel gehad.

Ook de buffels matsten ons, door slechts één poze aan te nemen, met de woeste kop uitdagend in onze richting.

Het zuinigst kwamen we weg met de nijlpaarden, die ons met enkel de neus, ogen en oren uit het water stekend zelfs niet tot één foto kregen. Maar aan het nijlpaard hadden wij ons in het Queen Elisabeth Park in Uganda inmiddels al afschuwelijk vergrepen.

 


Helaas ging het met de leeuwen weer compleet mis. Ook hier weer die truck van eerst één (Klik!), dan met z’n zessen (Klik! Klik!). En ook hier weer steeds dichterbij. Tot ze bij wijze van spreke dwars door onze jeep heen wandelden. Je kon ze er echt tot in de kleinste details op krijgen: de koude, gele ogen, de grote snorharen, hoektanden, klauwen. Klik! Klak!

En tot overmaat van ramp lagen ze met z’n zessen in hinderlaag bij een drinkplaats voor gnoe’s en zebra’s. Bij het aanrijden hadden we ze al een uitval zien doen: Als een waaier renden ze in de richting van de zebra’s, in de hoop dat eentje zich in zou laten sluiten. De afstand was te groot en de zebra’s ontkwamen gemakkelijk. Maar wel een spectaculair gezicht, die lage verre sprongen waarmee de leeuwinnen renden, de paniek waarmee de zebra’s er vandoor stoven. Gelukkig hadden we op dat moment onze kamera’s nog niet in gereedheid, want het had ons zeker een rij foto’s gekost.

Die foto’s gingen nu op aan de leeuwinnen die stuk voor stuk hijgend terug kwamen sjokken naar de graspollen waar ze in hinderlaag lagen, en die elkaar als grote poezen met kopjes geven weer begroetten.

Toen we op de terugweg van ons rondje Ngorongoro-dierentuin weer langs die plek kwamen, zaten ze met z’n zessen met de koppen in het achterlijf van een vers gedode zebra te wroeten. De damp sloeg er nog af, als ze de darmen uit z’n lijf trokken en deze gulzig opslobberden. Natuurlijk waren we blij de voorafgaande “kill” gemist te hebben (zoiets kost je algauw zo’n vijftien foto’s of meer). Toch was dit schouwspel van die vretende, grommende en knagende beesten, die met bloed besmeurde bekken, en die anatomie-les van de zebra, dermate indrukwekkend, dat die leeuwinnen uiteindelijk veruit de meeste foto’s van deze safari verslonden.

td>

 



 
Het Afriesj-deel van de Afrika-reis zit erop! Morgen gaan Pien en ik de rest zoenen, tot op de reünie wensen, en samen met de bus naar Moshi. Dan zit het grootste deel van de reis er dus alweer op, en zoals altijd is ook dit weer heel snel gegaan. Zo zit je nog met een clubje onbekenden door Spanje te karren, zo zit je vijf maanden later met elkaar een afscheids-etentje te houden in een chinees restaurant in Arusha, druk kletsend, een presentje overhandigend aan de chauffeurs, swingend op de muziek van een life-bandje: “Jambo, jambo bwana, habari, nzuri sana…”Heerlijk.Tevreden dus, over hoe het gegaan is, want hoeveel burgeroorlogen, bandieten en ziektes we ook hebben moeten doorstaan, de meest spannende faktor was toch wel of die groep uit te houden zou zijn. Ja, dus.
Mij flikken ze het niet”. “Om mij zo’n loer te draaien moet je vroeger opstaan”. “Ik weet wat ik doe”. Dat was zo’n beetje het gevoel wat ik had gekregen na een half jaar her en der zwart wisselen in Afrika.Sowieso wissel ik nooit geld op straat, steegjes of portiekjes, maar altijd bij iemand in de winkel. Akkoord, deze ene keer was ik dan wél meegegaan naar een trappenhuis. Maar goed, dat wist ik ook niet, want we zouden naar zijn winkel. Bovendien waren we dit keer (voor het eerst) met z’n tweeën, en kon Pien de boel mooi in de smiezen houden. Bovendien was de geboden koers aantrekkelijk, 440 Tanzaniaanse Shillingen voor een dollar. Té aantrekkelijk misschien, maar laat ze maar komen. Als ze de kluit willen belazeren: Ik laat mijn $50 niet zien voor ik al hun geld uitgeteld en wel in m’n hand heb.

Dat ‘ze’ beviel me overigens ook niet, want op straat was het nog maar één man geweest die me naar z’n winkel zou brengen. Nu stonden ze met z’n drieën met ons in een portiek. Maar er liep hier nog genoeg volk om geweld onwaarschijnlijk te maken, dus kom maar op met je geld.

Ze wilden gelijk ook mijn geld zien, maar ik ben niet achterlijk, dus eerst over de brug. We doen het op mijn manier of helemaal niet. Dus krijg ik een stapel, tel uit dat het te weinig is, geef het terug. Nee, ze krijgen mijn geld niet, zelfs niet te zien, nee.


Weer een stapel bankbiljetten. Dit keer klopt het. Nog steeds niet gelukkig met de lokatie geef ik het geld terug en zeg dat het in orde is, maar dat ik het in de beloofde winkel pas wil ruilen. Nee, dat was op Zanzibar, “I told you”, klonk het verwijtend. Hier, pak het geld nou maar. We waren inmiddels alweer uit het trapportaal en op straat, en dat leek me ook wel veilig genoeg, met Pien op de uitkijk. Ik telde het stapeltje uiteraard weer helemaal opnieuw en stopte het in mijn linker-broekzak (de truck om op het laatste moment stapeltjes te wisselen was me uiteraard bekend). Pas daarna trok ik uit mijn rechterzak het $50-biljet en gaf het de man die me de shillingen had gegeven. Ik had er onderhand al een hard hoofd in dat de wissel zou lukken, dus dit viel me alles mee. Maar toen de man voor me me tegenhield en begon over dat zijn compagnon het in kleine dollarbiljetten wou, toen had ik het gehad. Ik vroeg m’n $50 biljet terug, stopte die weer in mijn rechterbroekzak en gaf daarna de inhoud van mijn linkerbroekzak aan hen terug. En weg waren we, onverrichterzake. Maar ik was blij toe, het hele zaakje was me al met al niet bevallen, en ik zei Pien dat ik het sowieso maar vervelende snuiters vond. Ik voelde nog even voor het dollarbiljet, dat ik nog steeds in mijn rechterbroekzak had.

En waarom ik toen ook nog even naar het biljet keek, weet ik niet. Misschien toch een voorgevoel? Op het biljet wat ik toen tevoorschijn trok stond “ONE DOLLAR” me aan te grijnzen. Ik voelde me naar beneden zakken… Ze hadden het mij dus wél geflikt.

Nee, dan het toneel op de kermis in Zanzibar. Op een stuk gras van het kermisterrein staat een vierkante muur van tentdoek, met aan de voorkant de kassa plus entree, aan de achterkant een opening voor de spelers, de coulissen dus. Publiek en spelers blijven in de tent min of meer aan de kant van binnenkomst staan, zodat zich vanzelf een tribune en een podium vormt. Alle pipo’s en andere spots zijn voor het gemak gebundeld in één enkele gloeilamp, die op ooghoogte aan een electriciteitssnoer tussen podium en publiek in hangt, zodat nu ook het publiek eindelijk eens kan beseffen wat het betekent om steeds in die felle lampen te moeten kijken.Het belangrijkste stuk techniek voor een mooie Zanzibarese toneeluitvoering is echter de geluidsinstallatie. Afrikanen vinden muziek ’t mooist als het op zijn hardst staat, dus om op een afrikaanse kermis boven je buren uit te komen heb je een flinke luidspreker nodig. Nu, ze hebben er één, dus het feest kan beginnen.
Het feit dat drie spelers samen maar één luidspreker gebruiken is een waarlijke vondst. Het stuk was de meest flauwe klucht die je je bedenken kan, zo van man betrapt vrouw in overspel, waarbij de minnaar zich nog heeft proberen te verstoppen, minnaar wordt het huis uitgeslagen en vrouw ook. Maar met maar één microfoon wordt zoiets natuurlijk een waar kijkspektakel: Het gevecht om de luidspreker, het vergeten hem te pakken als je aan je tekst toebent, rennen om elkaar toch nog snel de luidspreker te overhandigen, het gebroederlijk door dezelfde luidspreker naar elkaar schelden, ja zelfs het ranselen krijgt een nieuwe dimensie met een zweep in de ene en een megafoon in de andere hand.

En voor ons touristen zit er aan zo’n toneelstuk natuurlijk nog een tweede kijkspektakel en dat is het publiek. Als in een keer al die witte tanden bloot gaan, moet ik zelf ook al lachen van vrolijkheid, ook al snap ik niets van Swahili.

Tarap heeft nog het meeste weg van een zigeuner-orkest op z’n arabisch. Een tarap-uitvoering is traditioneel feest-vertoon op Zanzibar, dit keer ter ere van het Idd-al-Fetr (einde van de ramadhan). Hoewel de muziek na enkele nummers meer van hetzelfde wordt (tenminste, als je zoals wij de tekst niet kan volgen), blijft het gebeuren eromheen wel boeien: Zodra de zanger of zangeres een couplet inzet, staat een hele schare opgedirkte dames in dure kleren op, om naar voren te lopen en de zanger geldbiljetten te geven. De zangers houden dus al zingend voortdurend hun hand op, en aan de zijkant op het podium zitten enkele heren driftig geld te tellen en de club-kas te beheren.

Achterin het publiek wordt driftig fanta en maniok-chips verkocht, wat samen met het geflaneer van de dames een drukte van belang geeft. In een toegestuurd krantenartikel lazen we net dat het concertgebouw-orkest het gedempte gekuch van het publiek zo zat was geworden dat ze bij de ingang gratis hoest-bonbons verstrekten…

With Jaap-Jan and Suzanne searching for a red-colored variant of the Colobus monkey.
Dat er toch wel heel wat gevaren aan zo’n afrika-reisje zitten, merk je vooral als je ze probeert op te sommen:Het begon al in Frankrijk met Pien, die als enige een omelet bestelde bij het wegrestaurant (het vlees wat de rest nam zag er niet zo vertrouwd uit), en die vervolgens als enige al meteen de tweede dag moest overgeven en diarrhee kreeg.

Van Fez was het meest opvallende wat onze groep overkwam dat niemand zijn zakken gerold waren.

In Algerije kregen we een klapband. Dat geeft een rotknal en de truck begint gelijk te zwabberen. Gelukkig op een vlakke route, maar de opbouw rond onze stoelen achterin de truck stelt niets voor, dus áls we een keer kantelen…

In Niger begon iedereen steeds viezere winden te laten, en de geuren en kleuren waarin iedereen, bij voorkeur onder de maaltijd, de resultaten van zijn of haar stoelgang besprak, werden steeds bonter en viezer. De weken daarop is iedereen die langer dan twee dagen zonder alkohol kon aan de flagyl (tegen dysenterie) gegaan. Dat hielp, dus zal dat het wel geweest zijn.

Twee weken voordat wij de Sahara-piste door reden was er eenzelfde soort “overland-truck” van Encounter Overland door een stel touaregs met jeeps en machinegeweren tot stoppen gedwongen. Iedereen moest uitstappen en mocht zijn paspoort en wat water houden. Daarna mochten ze toezien hoe de touaregs eenvoudigweg met de truck plus al hun spullen wegreden. De touaregs zijn in Noord-Mali in een burgeroorlog verwikkelt met de regering (dat gebied is sowieso gesloten), en ze hebben dus geld en transportmiddelen nodig. Twee dagen na onze doorreis was Rotel-tours (‘Das rollende Hotel’) op dezelfde manier overvallen. Daarna mocht er enkel nog in konvooi over de piste gereden worden. Onze eigen doorreis was probleemloos, geen touareg gezien, maar ik heb wel af en toe (geheel nutteloos) op de uitkijk gezeten.

De woestijn zelf kent ook veel risico’s, en jaarlijks verdwalen er nog vaak mensen op de route, waarvan er ook nog steeds enkele overlijden. Pas erdoorheen rijdend besefte ik hoe totaal je de kluts kwijt kan raken van zo’n zandige rotsvlakte zonder oriëntatiepunten. Kompas en de kilometer-strandpalen waren geen overbodige luxe.

Toen Els na beroving van haar tas met geld, paspoort met visa, dagboek, enz… bij de nederlandse ambassade in Ouagadougou kwam, kreeg ze meteen een stencil waar een twintigtal voorbeelden van tasjesroof e.d. stonden uitgelegd. Bij haar gold voorbeeld drie: een brommer rijdt in volle vaart langs, en de jongen achterop grist het tasje weg.

Malaria. Elke dag rotzooi slikken vanwege die onnozele muggen. Maar met die parasieten valt niet te spotten. In Zaïre was een jongen op een andere truck in twee dagen tijd overleden aan een cerebrale en daardoor ongeneeslijke vorm van malaria. Een week nadat wij dit hadden gehoord kreeg René het. Hij reageerde wél goed op Fanzidar, maar kreeg het wel even spaansbenauwd toen hij koorts kreeg die in een half uur tijd naar de 41 steeg.
Gewapende overvallen. Toch heel iets anders dan zakkenrollen. Ze staan gewoon met messen of stokken te zwaaien. Bij mij met een mes. In Niamey, op een drukke straat. Pien gilde, ik liet me naar achter zakken, van dat mes vandaan, mensen kwamen aanlopen, auto’s stopten. Mijn overvaller werd zenuwachtig en rende terug in het park naast de weg. Pas na dat ogenblik dringt een beetje door wat er gebeurde, het gevaar van een mes in je lijf krijgen.

Verstappen, verzwikken, verstuiken. Eén misstap is er voldoende voor. Bij Pien was die in Volubilis, bij een klein sprongetje van een lullig muurtje. Waarschijnlijk waren het verrekte kniebanden, die haar voor de volgende twee weken in marrokaans gips deden belanden. God zij dank was het elastieken gevoel daarna toch wel zo goed als verdwenen.

In tropisch afrika beginnen de kleinste wondjes plots te ontsteken, en is het een heel gedoe om ze weer dicht te krijgen. Door het vochtige warme weer wordt het kleinste krab-plekje van een oude muggebult meteen een tropenzweer. Frans heeft zelfs meegemaakt dat iemand op een van zijn andere reizen voor zo’n doorgaande tropenzweer terug moest naar nederland en daar mocht kiezen tussen zijn been en zijn leven. Elina was er in onze groep dan iets eerder bij: haar ontstoken hand hoefde er na terugvliegen naar holland niet af, maar ze had er niet veel langer mee door moeten lopen. Mijn eigen scheenbeen-zweer reageerde gelukkig op de antibiotica die ik daartegen innam…

Bilharzia is natuurlijk een kwelling voor als je in de hitte langs een lekkere poel water rijdt… Andere kleine dieren die ons geplaagd hebben waren zandvlooien en hoofdluis. Bij het oprollen van je tentje ’s ochtends, kon daar wel eens een schorpioen onder liggen. Van slangen, zoals de dodelijke gehoornde ratelslang, hebben we niets gemerkt.

Onder de grote beesten schijnen vooral nijlpaarden gevaarlijk te zijn, goed voor enkele slachtoffers per jaar. Maar in Yankari en in Park de Benoué, waar je wel wat rond het kamp kon rondlopen, was je eigenlijk bang voor alle mogelijkheden, zoals leeuwen, buffels, nijlpaarden en olifanten. Schoorvoetend liep je daar dan, met een lange bamboestok gewapend, “lekker” op safari.

Verder moet je niet tussen de Hutsi’s en de Tutti’s belanden, als die elkaar voor de zoveelste keer massaal en ongelooflijk wreed te lijf gaan. Dat is dan in Ruanda, maar ook in Niger was laatst nog een compleet dorp uitgemoord door een ander dorp, in een conflict over de doorgang van geiten over iemands land. 98 doden.

Het leger in Zaïre krijgt de laatste tijd niet altijd meer zijn soldij. “Onze jongens” gaan dan maar zelf winkelen, met blauwe bonen als eventueel betaalmiddel.

Maar de meeste ongelukken met touristen gebeuren altijd nog in het verkeer, wat vooral in Oost-Afrika levensgevaarlijk is.

Ik had graag wat van al die gesprekken willen verstaan. Van het gekeuvel van marktvrouwen, gekibbel om prijzen, grappen die vissers elkaar over het water toeriepen. Maar Swahili mag dan bekend staan als een makkelijk te leren taal, voor mij was het te moeilijk en teveel moeite om het voor die paar maanden in Oost-Afrika te leren.Toegegeven, de uitspraak van Swahili is heel eenvoudig, vrijwel phoenetisch. Dank hiervoor aan de engelsen, die het oorspronkelijke swahili-schrift in onze letters hebben omgezet. Maar ze hadden gelijk wel wat aan de grammatica van die taal mogen sleutelen. Die is echt compleet anders dan de onze.

Zo kent Swahili geen mannelijk, vrouwelijk en onzijdig, maar wel acht verschillende ‘woord-klassen’, zoals mensen, dingen, planten, begrippen, enz… En die krijgen niet allemaal verschillende uitgangen, nee erger nog, die krijgen allemaal verschillende ‘vóórgangen’. Bijvoeglijke naamwoorden en werkwoorden die erop slaan krijgen diezelfde voorgang, zodat het geheel wel een lekkere swing krijgt:
“kisu kimoja kitatosha” = een mes is genoeg (met “ki” als voorgang bij mes)

En werkwoordsvormen schijnen er helemaal veel van te bestaan.

Maar vooral van die uitdrukkingen die een andere kijk op de wereld verraden had ik meer willen verstaan. Zoals bij Jaap-Jan en Suzanne de huishoudster halverwege een stapel wasgoed naar huis vertrok met de woorden “het wasgoed heeft mij overwonnen”. Klaarblijkelijk heeft de buitenwereld in Afrika meer macht dan bij ons. Maar goed, veel verder dan “Jambo!” en “Habari!” ben ik nooit gekomen, het swahili heeft mij overwonnen…

Niet alles is “leuk” tijdens zo’n reis. Soms is het ook wel eens “jeuk”! De afgelopen week bijvoorbeeld.Sinds we met z’n tweetjes door Uganda zijn gaan reizen ben ik uiteindelijk een oorzakelijk verband gaan leggen tussen enerzijds enkele tientallen op muggebulten gelijkende bultjes op mijn toch al zo zorgelijke huid, en anderzijds het af en toe aan de binnenkant van de klamboe aantreffen van zespotige kruipertjes met zuigsnuiten en een goed gevuld achterlijf, die bij platdrukken een grote bloedvlek in het muskietengaas bleken te geven. A-positief bloed, wil ik wedden, want Pien heeft nergens last van, hetgeen mij een raadsel en haar een zegen is.Het vervelendste van deze bulten is dat ze dagenlang hardnekkig door blijven jeuken. Ik ben er vanuit gegaan dat het wegsnijden van betreffend lichaamsdeel (met het botte en voor dit doel pijnlijke maar dus extra geschikte zakmes) weliswaar een tijdelijke opluchting zou geven,
maar op de lange duur toch ook geen oplossing zou blijken te zijn. Dus was ik aangewezen op krabben en het smeren van zalfjes. Eerst krabde ik de bulten open, zodat de Azaron beter in het bloed in kon werken, zo maakte ik mezelf wijs.Om de op deze bloed-kratertjes afgekomen vliegen, die door hun hardnekkigheid al evenzeer tot gekte drijven, van het lijf te houden, zit er niets anders op dan het zaakje vervolgens weer dicht te pleisteren. Dit vaak voorafgegaan door het aanbrengen van een laag anti-bacteriële creme, teneinde de bij mijn benen klaarblijkelijk onvermijdelijke fase van de gangrene tropenzweren zo lang mogelijk uit te stellen.En dan zijn er twee mogelijkheden: Ofwel het zaakje gaat ontsteken en dwingt tot penicilline-kuren en het hooghouden van lichaamsdelen, ofwel het zaakje geneest en dat merk je dan eerst doordat het onder die pleister enorm begint te… jeuken.
Hoe kunnen mensen die zó arm zijn, mensen die nog geen nagel hebben om hun kont te krabben, die de hele dag op een marktplein zitten met twintig rode pepertjes voor zich op de grond uitgestald, die met vijf koters om zich heen wat gierst staan te stampen, die achter het restaurant de etensresten van mijn bord eten, die bedelen om brood, die de hele dag in de hitte lemen bakstenen maken terwijl hun moeder thuis met malaria ligt, die een dochtertje hebben dat een dag later aan tbc overlijdt, die als chaufeurs in gammele taxi’s rondrijden en het geld halverwege al moeten hebben om de reddende twee liter benzine te kunnen kopen, mensen die op hun veertigste opgebrand zijn, ja die mensen, hoe kunnen die mensen ons, wij met onze truck vol rijkdom, met onze goeddoorvoede lijven, met onze opleidingen, met ons half jaar vakantie, met onze paspoorten als toegangsbewijzen tot de westerse wereld, ja hoe kunnen die mensen ons toch steeds nog zó enthousiast begroeten, zwaaiend, dansend en lachend?

Brussel – Heemstede. Onze zeven stuks handbagage, inclusief kalebassen en malawi-stoelen, in het kleine rode treintje gepropt dat ons het laatste stukje terug naar huis moet brengen. Het blijkt een heerlijke warme mei-avond. De zon strijkt met haar licht over de felgroen oplichtende weilanden. Alles is een grote herkenning, alles herinnert me. De knotwilgen herinneren me aan zomaar een knotwilg in een polder op Oost-Voorne.
Een weiland doet me herinneren aan een fietstocht als jochie op mijn kleine rode fietsje vanuit Leiden naar het einde van de wereld, wat met elke fietstocht verder weg bleek te liggen. Op die fietstocht bleek het Rijpwetering te zijn. In een bosje populieren hoor ik de wielewaal alweer antwoorden op Marcel’s gefluit. We passeren de biesbos en ik voel mezelf alweer roeien op de Amer. Rotterdam zijn dagjes uit met Pien. Een meidoorn langs de spoorbaan staat in mijn gedachten plots te bloeien in de achtertuin bij de schommel vroeger thuis. En daar zie ik mijzelf alweer door die polders van de Stevenshof sjouwen, elke krijsende kievit belonend met een K op de plattegrond. Elk plekje maakt talloze herinneringen los. Met alles ben ik verbonden. Hier voel ik plots zo duidelijk mijn wortels. Hier ben ik (bijna) thuis
——-