Indian travel journey 1977

18-juni, Ankara,
Dit reisdagboek van mijn reis naar India zal wel niet veel worden; zoiets moet je natuurlijk elke avond braaf bijhouden, en ik begin er nu, na vijf dagen, pas mee…
Ik lig op het ogenblik op een primitief bed in een klein ontzettend muf kamertje van pension KRAS MEL, ten oosten van Ankara, en zojuist zongen de muezzins vanaf de minarets een gebed, en toen ik even later naar de WC (nou ja, WC?) ging, trof ik op de gang dan ook prompt een man in gebed.
Zojuist had ik afscheid genomen van twee Tunesiërs, waarvan ik een lift kreeg vanaf Maribor (Joegoslavië!).
Ik heb dus drie dagen oftewel 1800 km met hun meegelift, meegelift en in hun auto kunnen slapen. Ook zij waren moslims, maar dat kon je alleen merken aan hun eindeloze schoonmaakbeurten. Ik mag er niet aan denken dat wij thuis de vaat zó zouden wassen: je zou er uren mee zoet zijn. Maar ze waren erg aardig: Abdallah, 33 jaar, de chauffeur en tevens de baas, en Andrin, 23, z’n jongere broer. Ze reden een nog vrij nieuwe Mercedes-bus naar Damaskus, om hem daar te verkopen. Andrin, apentrots dat hij wat Engels kon spreken, ging dan proberen daar werk te vinden, terwijl Abdallah, die naast Tunesisch alleen Duits sprak, weer terug naar München zou vliegen, en misschien nog wel een auto naar Damaskus zou rijden. Ik was in ieder geval wel blij met de lift, want ik heb wel gemerkt dat Oostenrijk en Joegoslavië slecht liften.De eerste dag, 14 juni, ging erg goed: Een liftje naar Alphen, bij de rotonde af laten zetten, vrij vlot een lift naar motel Zevenaar, achter Arnhem. Toen een lift naar de grens en vandaar een vrachtwagen tot dicht bij Köln (aardige man). Daarna een lift tot aan Frankfurt, van een homo die gelukkig niet lastig was. Toen kreeg ik vanaf een Rastätte een zeer gunstige lift tot dicht bij Salzburg: totaal 1150 km. De man bood me van alles te eten en te drinken aan en ik heb terwijl hij thuis ging slapen, in zijn vrachtwagen op het chauffeur-bed geslapen (het was buiten noodweer). De volgende ochtend moest ik bij hem komen ontbijten en terwijl hij de vrachtwagen ging afladen werd ik door zijn vrouw naar een Rastätte aan de Autobahn gebracht.
Die tweede dag ging een stuk langzamer: Na ruim een half uur wachten kreeg ik een liftje naar de Oostenrijkse grens. Daar kreeg ik na anderhalf uur pas een lift, maar naar het uitzag wel een goede: een vrachtwagen naar Teheran! Helaas was de man een vrij opdringerige homo, tevens turk, sprak geen Engels, de bijrijdersplaats was de stoel van weg (in plaats daarvan stond er een houten keukenstoeltje), en de wagen vervoerde een zware vracht olievaten, zodat het door de Oostenrijkse bergen niet bepaald snel opschoot. Met 15 km per uur de helling op zat hij zich ook dermate te vervelen dat hij als tijdverdrijf (en om wakker te blijven) zijn kop uit het raam hing en dan vooruit bleef rijden door de strepen op de weg achterwaarts te volgen. Toen er een bocht naar links kwam en hij aanstalten maakte om op basis van de wegmarkering uit het verleden rechts het ravijn in te storten, heb ik maar even een harde klap op mijn deur gegeven, waardoor hij op- en weer vooruitkeek, en nog net met de bocht mee kon sturen . Toen we dan ook zo’n beetje de hele dag over de 250 km door Oostenrijk hadden gedaan, vond ik het allang best dat hij er bij de Joegoslavische grens voor die dag mee kapte, en liet ik onze wegen scheiden. Daar heb ik na een uur een liftje van 20 km naar Maribor gekregen van een heel aardig echtpaar met een kindje dat me geloof ik maar een boze boeman vond. Ze hebben me aangeboden bij hun te komen slapen, maar het was pas 8 uur en ik wou nog proberen diezelfde avond tot Zagreb (115 km verder) te komen. Na een half uur kreeg ik toen de lift van Abdallah en Andrin Nasser. Die dag dus in totaal 400 km. Het was duidelijk dat zij net zo krap bij kas zaten als ik, en ik bood dan ook aan de diesel mee te betalen. In totaal ben ik voor 70 gulden nu tot Ankara gekomen.
Het landschap was toch wat anders dan ik me had voorgesteld: Duitsland was vlakker dan ik me van de Bodensee vakantie herinneren kon, Joegoslavië leek erg veel op Nederland: vlak, knotwilgen, korenvelden, hakhoutwalletjes. Alleen stroomden de beken wat sneller, zijn er meer ooievaars, en staan de boerderijen in dorpen gegroepeerd. Wel zie je in de achtergrond steeds heuvelruggen. Bulgarije werd al echt wat “oosterser”, voor zover ik kon beoordelen wat dat betekende: de huizen armoediger, weinig algemene voorzieningen als prullenbakken en WC’s, een schroevende arend, de koeien verdwijnen uit het landschap en maken plaats voor langoren, telefoondraden met bijeneters en klauwieren, slechte gevaarlijke tweebaanswegen, en alles wat heuvelachtiger. Overal op parkeerplaatsen en kruispunten staan politieagenten met mitrailleurs. Als we met de Mercedes-bus voor de tweede nacht op een parkeerplaats willen staan, komen twee soldaten (ze vinden zelf: politie), waarschuwend Gut, aber nach zechs Uhr: Goodbye!. Abdallah bood ze enkele sigaretten aan (Nein, leider keine Sex-zeitungen) en zie: we kunnen rustig uitslapen.
In Turkije weer veel politie, een ambtenaar aan de grens die wel even het formulier voor je invult maar vervolgens wel om bakshees vraagt van maar liefst 5 DM. Abdallah bemoeit zich ermee, en de man kan naar zijn bakshees fluiten.
Als we achter Istanbul parkeren en de soldaten daar krijgen ditmaal niets aangeboden (geen sigaretten, geen blaadjes), worden we, hoe verrassend, al om twee uur ’s nachts gewekt met de mededeling “Abfahren!”. Een eind verderop konden we gelukkig rustig uitslapen.
Wat in Europees Turkije al opviel, viel vandaag op de route Istanbul – Ankara nog sterker op: Moskeeën (voornamelijk kleintjes), ezels, mandenverkopers, koeiendrijvers, thee-tenten, ganzenhoeders, schoenpoetsertjes, veel ooievaars, twee zwarte ooievaars vlak langs de weg.
Ja, de weg: tweebaans met aan beide kanten een halve vluchtstrook, die in beslag genomen wordt door grazende koeien, ezelwagentjes en mensen. Op de weg alle verkeer: van langzame vrachtwagens tot jachtige personenauto’s. Drukte, getoeter, in de steden, waar de weg gewoon doorheen gaat, straatkeien, inhaalmanoeuvres, en.. hoe kan het ook anders.. ongelukken! We passeren een ongeval waar zopas een personenauto frontaal tegen een vrachtwagen is gebotst. Minstens vier doden! Ik zie de vrouw op de achterbank. Het is vreselijk… We zijn er alle drie kapot van: Abdallah toetert kwaad als later auto’s hem aan het inhalen zijn, en klaagt voortdurend: Das Accident: “Scheisse!”. Ook verderop komen we nog verscheidene ongelukken tegen, maar geen frontale botsingen meer. Meest vrachtwagens die in greppels en beekbeddingen in de kreukels liggen. Maar ook allerlei andere, vaak volledig wegroestende auto-lijken.
De natuur in Turkije is vaak prachtig: de route langs de Bosporus: heuvels, beken, hellingen met een prachtige mengeling van bloemen-kleuren. Ja, ik amuseer me wel. Wel wordt ik op een gegeven moment slaperig van die lange stukken in de auto, met dat moter-gezoem. Ik heb hele stukken al dommelend doorgebracht, ook goed.
In vijf dagen in Ankara… wie weet zit ik over veertien dagen al in Rishikesh!?!
19-jun, Sivas
400 km opgeschoten vandaag. En toch ging het liften op zich niet slecht. Maar ik was per ongeluk aan de verkeerde kant van Ankara afgezet en zou toen bijna een andere weg naar Sivas hebben genomen. Een soldaat op de splitsing wees me echter de hoofdweg. Ik werd toen in een eerste lift in Ankara afgezet en daar alsnog de verkeerde kant op gestuurd. De Turken schijnen het principe van liften niet allemaal even best te begrijpen: ze stuurden me steeds naar busstations. Na een Duitser uitdrukkelijk naar de Autobahn naar Sivas gevraagd te hebben kon ik vervolgens weer de andere kant op lopen. Maar enfin, dat lopen door de stad is geen straf, je ziet van alles: Moskeeën, broodjesverkopers, ijsco-winkeltjes, enz. Als je naar de weg vraagt ben je binnen een mum van tijd omgeven door een schare van toehoorders of mensen die je hun hulp als tolk aanbieden (om de omstanders te tonen dat ze best wat Duits of Engels spreken). Jongetjes komen vaak zelfs uit eigen beweging naar me toe als ik ook maar even teveel zoekend om me heen kijk.
Eenmaal op de route naar Sivas krijg ik gelijk een lift van een echtpaar dat 10 jaar in Duitsland gewerkt had. Hier kon ik 50 km meerijden, tot achter Kirrikale. Vandaar een lift van een vrachtauto naar Sivas. Mijn rugzak kon achterop in de bak en ik mocht tussen de chauffeur, Chouez, en zijn bijrijder Allez in zitten. Helaas spraken ze geen woord Engels en ik geen woord Turks, maar met het nabootsen van dierengeluiden, en het zingen van Europese en Turkse liedjes en het elkaar toeschreeuwen van elkanders namen, was het alles met elkaar best gezellig. (Ook) zij hadden het weer over waar mijn meisje was, en dat Rotterdam een goede stad was (“fik-fik”-gebaren), en op een parkeerplaats ook nog even een potje met elkaar gevoetbald. En ondertussen natuurlijk de telefoondraden in de gaten houden: klauwieren, klapeksters, scharrelaars, en (in de berm) af en toe een hop. Af en toe rende er een klein soort marmotje over de weg. Wederom prachtige bloemen in de bergen. En een steeds woestere, kalere, rotsachtige natuur, afgewisseld met plakjes korenvelden en akkers.
Tot de eerste afslag richting Samsun was de weg net als tussen Istanbul en Ankara, dus druk en gevaarlijk. Daarna was hij erg rustig maar gelijk ook ontzettend slecht. Af en toe was het net een gatenkaas en Chouez moest daar sterk snelheid verminderen anders ging zijn hele vrachtwagen aan gort. Verder ging het de heuvels op sowieso niet harder dan 20 km per uur, wat, gecombineerd met een volkomen ongeasfalteerd stuk weg, af en toe een kudde overstekende koeien en het uitrusten van de chauffeur, maakte dat we pas om 8 uur in Sivas aankwamen. Daar heb ik maar eens een sjiek hotel genomen voor 60 Lira’s (7 Lira = 1 gulden), inclusief een eigen wastafel, douche en WC. Ik heb wel eerst even gekeken, maar heb er alweer een nieuw lesje bijgeleerd dat nóg beter kijken loont: de WC was verstopt en de douche koud. Maar enfin, even een brief posten en dan morgen naar Erzurum liften.
20-jun, Tercan
Stik! Jas in het hotel latenliggen. Maar daar kwam ik pas achter toen ik al een lift naar Teheran had. Goed onthouden de kamer steeds te controleren dus. Het enige licht wat ik nu heb is een knijpkat, dus dat schrijft wat lastig. Ik zal het dus maar kort houden. ’s Ochtends kovalt gegeten, de brief gepost en toen naar de weg naar Erzurum gelopen. Nog een heel eind. Het begint net warm te worden en een twaalftal aasgieren stijgen boven de stad op. Even verder vliegt een hop langs. Een moedertje voor een huisje in de buitenwijk van Sivas krijst iets naar me en wijst naar haar dochter, die lachend naar me zwaait. Bah, ze zien een westerse tourist met geld en zetten hun dochter in om dat te bemachtigen..
Nog voor de definitieve afslag richting Erzurum, krijg ik een lift van Iwan(of), die naar Teheran rijdt, en me gelijk voor de hele weg wil claimen. Hij zal het dan ook nog betalen, als ik maar (Duits) tegen hem spreek (voor afleiding en om wakker te blijven). Klinkt dus wel goed allemaal, hoewel dat ouwehoeren soms niet meevalt en hij niet kan begrijpen dat ik steeds naar buiten wil kijken. Voor de vogels: scharrelaars, aasgieren, hoppen, zwarte wouwen, roodpootvalken, vreemde gele gorzen met zwarte kappen, enz. En voor de planten: werkelijk de fraaiste soorten, vaak hele hellingen vol. Maar vooral ook voor het landschap zelf: steeds droger en woester, met de meest uiteenlopende kleurschakeringen tot rode, blauwe en groene zelfs (hoewel die laatste wellicht van een soort alg-aanslag).

Op de één of andere manier heb ik vandaag iets verkeerds gegeten (de soep?). Ik kreeg in ieder geval tijdens het rijden een uur lang geweldige buikpijn, en moest Iwan vragen de truc te stopen, om vervolgens achter de truc een naar mijn eindeloze berg diarree te deponeren. Toen was het ook gelijk over. Luchtte enorm op. Misschien wat verstopping opgelopen tijdens het vele stilzitten tijdens het reizen de afgelopen dagen.
Er waren helaas twee grote nadelen aan deze lift: Ten eerste reed Ivan met 21 ton lading, zodat hij een gemiddelde snelheid van nog geen 30 km per uur haalde. Het tweede, doorslaggevende bezwaar was dat hij vanavond persé wou dat ik naast hem in de cabine kwam slapen. Toen begon ik eindelijk een beetje te begrijpen wat hij met eerdere opmerkingen als ‘you’re my brother” bedoelde. Enfin, hij was zeer verbouwereerd toen ik zei dat dat niet ging gebeuren en mijn spullen pakte om naar een hotelletje te vertrekken.
Onderweg kwam ik nog langs een groepje jongens die me vrolijk in het Frans toeriepen om te komen. Dat was nog weer een inschattingsfout van vandaag: ik had kunnen zien dat de meest enthousiaste van het stel eigenlijk dronken was. Voor ik het wist had ik van hem een pakkerd gekregen terwijl hij mij bij een pols hield. Ik maakte me eigenlijk zonder probleem los (waar een jaartje wedstrijdroeien niet goed voor is), maar hij probeerde vervolgens ook nog naar mij uit te halen. Ik had dat makkelijk kunnen ontwijken, maar dat was gelukkig niet eens nodig want één van zijn maten hield hem al tegen. Ik ben toen snel doorgelopen naar het hotel (15 Lira) van waaruit ik nu aan het schrijven ben.
21-jun, Erzurum

’s Ochtends een lift aangenomen van een man die uit de andere richting kwam en speciaal voor mij omkeerde. Stom natuurlijk. Ik heb hem nog wel eerst  gevraagd waarom hij dat deed, maar hij zei me in slecht Duits om snel in te stappen. Even later kwam ik erachter dat hij me al voorbij was gereden en nu dus alsnog terug was gereden. Het was weer eens een poot en ik ben dan ook in Erzurum uitgestapt. Omdat ik nu toch wel baal van al dit soort liften besloot ik vanaf daar reeds verder de bus of trein te nemen. De eerstvolgende bus vertrok daar echter pas om 6 uur ’s avonds. Hij zou er 24 uur over doen, dus zou ik de volgende dag om die tijd in Teheran aankomen. Tijd genoeg voor nog een wandeling in de omgeving. Ik ben een tijdje langs een landweggetje 100 meter buiten het stadje in de zon gaan zitten. En heb daar voor het eerst sinds een week weer eens wat tinwhistle gespeeld. Dat trok bekijks van een groepje jongetjes dat langsliep en bij me kwam zitten. Eén van hen kon in het Engels tot 10 tellen, dus dat was de grote tolk. Toen ik mijn kijker moest uitpakken omdat er 150 meter voor ons een enorme bruine beer door het koren ‘huppelde’, hadden we een mooi onderwerp te pakken: ze legden me uit (met een mes-onder-de-keel-langs gebaar) wat zij met zulke beren plegen te doen hier in Oost-Turkije. De bruine beer dook steeds wat weg in het koren, zich verstoppend voor voorbijgangers die van niets bewust op enkele tientallen meters bij hem langs liepen.

Bilzekruid

Later op de middag nog sandalen gekocht en wat door Erzurum geslenterd: een lelijk stadje, maar wel boeiend: Overal drukte van mensen en kraampjes, altijd vrij opdringerige jongetjes die met “English, Sir?” je aandacht proberen te krijgen. Als dat niet lukt hoor je nog een staartje “Francais?.. Alman?..”De auto’s stoppen in principe nooit voor je, maar ze toeteren wel, dat dan wel weer. Overal minaretjs maar nergens mooie gebouwen of moskeeën. Alles van golfplaten daken, tot aan de moskeeën toe. Aardbevingsgebied…

Rijst met salade gegeten, waar ik nu eens geen brood maar een soort pannenkoek bij kreeg geserveerd. Eerst dacht ik dat het een servet was, maar die delen ze hier nooit uit, dus dat kon het niet wezen. Ook proefde hij taaier dan een servet.

Eind van  de middag maar eens naar het busstation geslenterd. Daar zaten een stel turken en verder nog 7 buitenlanders: 2 Fransen, 3 Duitsers en twee Canadezen. De bus zou om zes uur vertrekken, maar om acht uur kregen we te horen dat hij pas om twaalf uur zou komen, en of we maar de mogenochtend om 7 uur wilden terugkomen. Enfin, toen zijn we maar met alle buitenlanders samen in een 6-persoons en een 2-persoons kamer in een goedkoop hotelletje gedoken. Eén van de Fransen vertelde me over een boot van istanbul naar Trabzon. Ze zijn gegaan (2 dagen) alles inclusief voor 140 Lira’s. Goede tip voor de terugreis.

De Ararat, op de grens tussen Turkije en Iran
25 juni, Teheran.

Eindelijk! We kunnen weg uit deze rotstad. Als we morgen vóór vijf uur ’s middags richting Herat vertrekken, zal ik er geen traan om laten uit deze stad te vertrekken. Toegegeven, ik ben alleen in het centrum geweest, waar ons hotel ligt. En dat is één grauwe betonmassa volgestopt met auto’s en dus stank, en lawaai (soms wel 40 claxons per minuut, ik heb ze geteld…), en stroeve gezichten, geen enkele fleur in de straten. Er schijnen echt wel enkele leuke steegjes te zijn, maar ik ben ze niet tegengekomen. Ik had wel wat anders aan mijn hoofd: een hardnekkige dysenterie.

Waarschijnlijk had ik hem opgelopen door het eten van een stew van bonen. vlees en groenten in een restaurant onderweg vanuit Erzurum. Ik ben al een paar jaar vegetariër, maar had behoefte aan iets zouts, en dit was het enige hartige dat ze hadden. Nog diezelfde avond heeft de bus nog een aparte noodstop voor me gemaakt zodat ik de stew via dezelfde weg weer naar buiten kon werken (en buiten de bus dus gelukkig). Alle Turken en Iranezen in de bus lachen natuurlijk. Diarree, en de rest van de busreis (anderhalve dag) verhoging. Kwam verreisd aan. Kon geen eten binnenhouden (maar ik had toch geen honger), maar ook geen drinken (en ik had wél dorst…). De combinatie van alles gelijk weer uitkotsen en ook nog dun aan de schijt zijn, deed mij bijzonder snel uitdrogen. Ik begon immodium-casules te slikken, die de diarree wel stopten. Maar omdat ik nog steeds niets binnen kon houden, begon ik me zowaar zorgen te maken. Ik had een kamer gehuurd met Phillipe (een aardige franse jongen van mijn leeftijd) en Wolfgang (een oudere Duitser) en dat gaf me veel steun. Maar aan het eind van de tweede dag voelde ik me zó beroerd dat ik besloot dat als de toestand morgen niet zou verbeteren, ik via de Hollandse ambassade naar een dokter zou hebben geïnformeerd. Of misschien zelfs rechtstreeks terug naar huis gevlogen: ik voelde mijn polsslag inmiddels al stroperig worden…

Maar net toen ik dat zo’n beetje besloten had, werd ik in de lobby door de hotelbaas aangeschoten met dat ik er erg ziek uitzag. Hij tipte mij dat er in de kamer naast ons vier pakistaanse dokters logeerden en hij adviseerde me eens bij hen langs te gaan. Ze bleken erg aardig, en hebben een recept voor me geschreven: Véél gesteriliseerd water met glucose drinken, waarbij anti-braak-tabletten ervoor moesten zorgen dat ik het niet gelijk weer uit zou spugen. En onderwijl een antibioticum kuur. ’s Avonds zat ik alweer aan mijn eerste potje yoghurt, en de volgende dag kon ik alweer alles eten, alhoewel ik nog steeds niet zoveel trek had.

Ik voel me vandaag al stukken beter, alleen nog wat gammel en moe. Ik had gehoopt mijn visum voor Afganisthan (20 gulden), vandaag al te hebben, en dat had best gekund, maar om één of andere duistere reden was de ambassade dicht. We konden er wel formulieren meekrijgen en ons geld kwijt, maar kregen dan de visa pas morgenmiddag. Vanmiddag wat met Phillipe zitten babbelen in de bezoekershal van het PTT-gebouw (airconditioning!). Heel aardige, sportieve jongen. Wolgang is een beetje ’n vreemde: een gezet mannetje met naar schatting 80 kg bagage bij zich (twee koffers, een rugzak, een zware handtas, en nóg een tasje). Gisteren kwam hij uit de stad terug en had hij souvenirs gekocht:  oorbellen en armbanden. Onder andere een armband van zilver en goud, bedakt met edelstenen. Die had ‘m 400 DM gekost. Voor zijn verzameling, zei hij. Vanmiddag kwam hij moe uit de stad terug: hij had zijn camera proberen te verkopen, maar de mensen hier bleken geen interesse te hebben. Overigens was hij niet onbekend in deze contrijen, was bij elkaar al twee jaar in Turkije geweest en verder in Zuid-Amerika, Australië en weet ik al niet waar.

Het hotel, Namir Kabir, kost 150 Rials (6 gulden) per nacht, maar had wel een leuk soort reuring van vooral europese backpackers richting India. Een jong stel Canadezen kon ik goed mee overweg, en ik kwam zelfs een Haarlemmer tegen.

 29 juni, Teheran – Herat.

Die bus die 26 juni om 5 uur naar Herat zou vertrekken was een mooi staaltje bedriegerij: Eerst ’s middags al op straat door iemand een andere bus in gepraat, maar daar bleek ons kaartje bij nader inzien toch niet geldig. Snel terug naar het hotel. Maar daar verscheen onze bus ook niet. Om 6 uur eens opgebeld: Ja, hij zou zó komen. Om 8 uur kwam het bericht dat hij waarschijnlijk níet zou komen. Wij met zijn allen dus kwaad naar Levan-tours. Daar bleek: er was stomweg nooit een bus voor ons geweest. We hadden misschien al nattigheid moeten voelen: dat kaartjes kopen ging heel gemakkelijk (terwijl de hele week juist alle busritten richting het oosten uitverkocht waren vanwege een religieus festival),  en twee van ons bleken zelfs eenzelfde stoelnummer gekregen te hebben… Uiteraard wilden ze ons ons geld niet teruggeven, maar daar moesten ze op terugkomen nadat wij de poitie erbij hadden gesleept. En zo zaten we diezelfde avond toch weer in Amir Kabir (“Mister, how are you today?”).

’s Avonds nog twee aardige Indiërs gesproken die een heel programma voor me opstelden van-dag-tot-dag, met verscheidene adressen van yogi’s en hun familie in Dehli.

De volgende dag hebben wij (Phillipe, Wolfgang en ik) geprobeerd buskaartjes naar mashad te krijgen, maar toen dat nog steeds niet lukte gooiden we het over een andere boeg en hebben kaartjes naar Kerman gekocht om zo in ZO-richting Iran te verlaten en via Quetta naar Kabul of Peshawar te komen. We zouden om 5 uur ’s avonds vertrekken, maar op het hotel werd 10 uur ’s ochtens een affiche opgehangen dat om één uur vandaag nog de “Sivlver Express” naar Kabul Dehli en Katmhandu zou vertrekken. We hebben tickets gereserveerd en zijn terug naa Mikan Tours gegaan om te kijken of we onze tickets nog konden cancellen. Wolgang en ik vertelden een smoesje dat Phillipe, die niet mee was, in het hotel ziek was geworden en dysenterie had. Dat lukte! De “Silver Express” bleek te bestaan en we kochten voor 25 dollar een ticket naar Kabul.
De bus was een ongelooflijke hyppie-bus: oud, zonder airco, een deel van de stoelen ontbrak, en het geheel leek bij elkaar gehouden te worden door een dikke laag zilververf, vandaar de naam. De ramen konden allemaal wél open, dus het was al met al eigenlijk toch wel aangenaam. Die dag kwamen we nog geen 100 km ver, maar zéér relaxed: een uur pauze gehouden bij een rivierbedding. En aan het eind maakten we nog een D-tour om die nacht op het strand aan de Kaspische Zee te kunnen slapen. Ikzelf heb mijn saapzak er niet aan gewaagd, waardoor het vrij koud slapen was. Maar om half vijf ’s ochtends begon het te regenen en moest er sowieso opgebroken worden en zaten de meesten met natte slaapzakken. Wel kregen we heel aardig een plek aangeboden om te schuilen, en thee en dekens. Die dag verder tot achter Mashad gereisd. Mijn mede-reizigers waren uitsluitend Europeanen, en het was een enorm shithol.
Die nacht sliepen we allemaal in de bus zelf, en de volgende ochtend bereikten we de grens met Afghanistan. Daar vier uur oponthoud voor het nodige formulier-werk en toen op naar Herat.
De rugzakken lagen bovenop, alhoewel er onderweg ook een paar afgevallen waren, wat we gelukkig toevallig net zagen gebeuren… Mijn eigen rugzak was vanuit een reservetank benzine op gelekt.
Het Perzische landschap kon me niet zo bekoren: voornamelijk één grote dorre woestijnvlakte met droge grasbultjes en heuvels op de achtergrond. Wel overal veel scharrelaars. Eén zeer mooi stukje door bestruikt berggebied. Of kwam dat door de arenden die er rond-cirkelden? Of door de Ierse muziek die er op dat moment opstond?
De plattelandsbevolkng met erg arm zijn: de verspreide nederzettingen zien er armoedig uit en alles is kurkdroog. Overal schaapskudden en als lastdier ezels. De wegen in Iran en Afghanistan zijn goed geasfalteerd en rustig. Dus we hadden mooi kunnen opschieten, ware het niet dat we één chauffeur hadden, John, die om de haverklap uitgebreid pauzeerde. Maar wel zeer relaxed dus.
Vanavond slapen we in het Niagara Hotel in Herat en blijven daar twee dagen. Ik kijk mijn ogen uit naar de schaarse natuur die hier te zien is: vreemde insecten en een soort beo’s met een zang die het midden houd tussen een zanglijster en een papagaai, met een gele tekening op de overigens glanzend blauwbruine kop, vleugels donkerbruin met een witte vleugelstreep (in vlucht een groot wit veld) en borst en buik beige tot bruin, snavel en poten weer geel. Verder ook nog een groot soort witte kwikstaart. Het was mijn eerste kennismaking met een duidelijk ander geographisch district, niets terug te vinden in mijn oude vertrouwde “Kist” (vogelgids van Europa).

3 Juli, Herat.
Vanmiddag gaan we verder naar Kandahar. Het schijnt daar 45 graden heet te zijn. En ik vind het hier al zo heet, bij 37 graden. Vandaag wat foto’s gemaakt in het stadje. Herat is eenleuke, rustige stad met weinig auto’s en in plaats daarvan overal rinkelende tonga’s.  Ik ben vergeten mijn lange broek aan te doen, maar gelukkig letten de mensen hoer niet zo op je, dat is wel fijn. Er is een fraaie “blauwe moskee”, een paar kleinere, zeer fraaie minarets, en een oud fort. Weinig kraampjes, maar wel ontzettend veel winkeltjes: Soms een halve straat vol met alleen maar kleermakers, dan weer leerbewerkers, en dan opeens weer tientallen kleine weverijen (met telkens één weefgetouw per winkeltje). De vrouwen natuurlijk in zwarte sari’s ( op een enkeling, meestal jonge meisje, na), de mannen met tulbanden, slapend in de schaduw van een boom of moskee, of in groepjes chai drinkend. Af en toe een kooitje met een kanarie, een putter, weer die “soort beo” en patrijzen of kwartels. Ook nog een wielewaal. Toen ik een foto van een rode steenpatrijs wou maken kwam de eigenaar al haastig behulpzaam met een tweede exemplaar.

De blauwe moskee, Herat

Gisteren zouden we gaan zwemmen, maar het zwembad stond leeg. Die dag voornamelijk rond het hotel gebleven. ’s Avonds gegeken naar een partijtje poker van mijn reisgenoten. Ik vond het om best wel veel geld gaan, soms wel 10 gulden per potje. Maar het was leuk om te kijken, en er werd plezier gemaakt. Ondertussen wat zitten kletsen met een canadees meisje. Wat de rest allemaal aan het gebruiken was weet ik niet. In ieder geval werden er veel joints gerookt. En ze dringen af en toe ok wel aan om mee te doen, maar het vreemd-geurende goedje trekt me niet. En ik had al wel gezien dat ze er ’s ochtends ook bepaald niet frisser van opstonden.
Ik geloof trouwens dat ik zo’n beetje het meeste geld van iedereen hier bij me heb, en dat terwijl ik als eerste alweer terug ga (in september beginnen de colleges in Wageningen weer). Aan de grens hadden we moeten opgeven hoeveel geld we bij ons hadden, maar de meesten kwamen niet verder dan zo’n 300 dollar, terwijl de meesten wel 4 maanden tot een jaar in India wilden blijven. Zelf had ik 1300 gulden, voor 3 maanden. Nou ja, iedereen zit lekker met zijn geld te soebatten. Afghanistan is in ieder geval nog niet zo goedkoop als ik hoop dat India zal zijn.Gisteren mijn Malaria-tablet vergeten. Goed aan blijven denken!
Ik geef het canadese stel mijn adres in Oegstgeest. Ze waren nog van plan naar Holland te gaan om wat musea in Amsterdam te bekijken en zo. Ik heb ze maar gezegd dat ze altijd welkom zijn op de Regentesselaan. Geen idee wat pa en ma ervan zullen zeggen als ze daar opeens opduiken, maar ik zou het leuk vinden als ze de gelegenheid gebruikten.

4 Juli, Kandahar.
Zojuist een koude douche genomen en nou gaat het wel weer. Maar oh, wat is het hier bloedheet! Het is 40 graden. Gisteren scheen het 45 graden te zijn, dus we mogen nog van geluk spreken. Ik kan in ieder geval weinig beginnen. Zelfs slapen is door de combinatie van hitte en insecten (vliegen en mieren) vrijwel onmogelijk. Wel jammer, want ik ben bekaf: we hebben de hele nacht doorgereden naar Kandahar en ik heb niet geslapen. De busrit was prettig, want sinds de rechtervoorruit door opspattend grind of de hitte aan diggelen was gegan, is de airco “perfect”. Een ik heb uren doorgebracht met kijken naar de busvloer vol slapende mensen, John draaide eindeloos het bandje met Dylan’s “Desire”, en ik raakte in een vreemd soort lucide gevoel van trance, waarin ik de hele wereld liefhad.’s Ochtends nog wel wat gedommeld, en verder het Afghaanse landschap in me opgezogen: Een soort steppe, met veel nomaden-kampen van donkerbruine tenten af en toe een groepje dromedarissen. Vrijwel geen stenen huis te bekennen.
Hier in Kandahar, in het Koochie Hotel, weer diezelfde beo-achtige vogels, en verder een groot soort klauwier, lijkend op onze grauwe, maar met een egaal beige kop en rug. In de tuin prachtige geel-zwarte vlinders, en in een slootje tientallen krabben (nooit geweten dat er ook zoetwaterkrabben bestonden).
Een man met een gieter besprenkelt de oprijlaan om te voorkomen dat er grote stofwolken komen mochten er nieuwe gasten verschijnen. Een muezzin roept.
Vanochtend met Michael, Penny en Jim diir de hoofdstraat gewandeld: Eén en al winkeltjes, vaak erg gespecialiseerd, bijv. enkel lucifers, of alleen spiegels. Veel horloge-makers, fotografen, metalen-schalen-makers (blikslagers heet dat geloof ik), snoepwinkels, fruitwinkels, …
Er zijn hier wat meer auto’s dan in Herat, maar toch nog erg rustig. Maar mooi is Kandahar beslist niet: grauw, geel, stoffig. Vannacht rijden we door naar Kabul. Daar ga ik zo snel mogelijk mijn visum in orde maken en dan per trein (en bus) door naar Dehli. Plan om eerst nog langs de beroemde yogi Maharaj Shangarjeet Singh Ji te gaan, waarvan ik het adres in Beas aangeraden had gekregen van de Indische “reisagenten” in Teheran.
7 Juli, Amritsar.
India! Na drie weken zitten en wachten ben ik er dan eindelijk.
4 Juli ’s avonds uit Kandahar vertrokken. Er klonk die avond een koor van padden uit de tuin van het hotel.
Prachtige busrit: Ik en Phillipe bovenop het bagagerek, je goed vasthouden, maar dan ook een heerlijke frisse woestijnwind om je kop en 360 graden view!

Uitzicht over Afghanistan, vanaf de bus
Begraafplaats

Om 10 uur in Kabul aangekomen bij Friends Hotel. De volgende dag gelijk een visum voor India geregeld.
Ook Kabul was nog warm, al ligt de stad een paar honderd meter hoger, een beetje tegen de heuvels aan, wat iets scheelt in de temperatuur en het vooral ’s nacht aangenaam maakt. Twee dagen lang wat aan het verkennen geweest (“chicken street” is de plaatselijke koopgoot) en ondertussen geprobeerd vervoer naar Peshawar te regelen, wat nog niet meeviel.
Niet de mooie straatjes met tonga’s zoals in Herat, maar Kabul was toch wel een interessante stad met veel bekijks in de eindeloze winkelstraatjes. Een man sleepte een arend aan een touwtje achter zich aan door de hoofdstraat. Hij was voor 350 gulden te koop.
Max, een Italiaanse jongen die al wel een kaartje voor Peshawar had, kon me tippen waar ik er uiteindelijk ook nog één kon krijgen. En de dag daarop om 7 uur ’s ochtends vertrokken. Ik zat de hele dag naast een Zwitserse handelsreiziger die in Japan woont en elk jaar een reis om de wereld maakt (hij liet me zijn reisticket à 9000 gulden zien). Hij legde uit hoe hij elke rondreis steeds één deel uitpikte om over land af te leggen. En dit jaar was dat dus Afghanistan en Pakistan geworden.
In Peshawar gegeten en toen gelijk de nachttrein naar Lahore genomen. Buto was twee dagen eerder afgezet door militairen en we wilden niet langer in Pakistan blijven dan nodig. Ik heb wel rondgekeken, maar kon geen spanning ontdekken, zelfs letterlijk geen militair gezien.

Pakistaanse en Indiase vrachtauto’s zijn “rijk versierd”

Een spoorwegbeambte had voor 10 rupees een slaapplaats voor ons verzorgd en dat leek in orde, maar tijdens de nacht werd de trein steeds voller en op het laatste lagen we met z’n drieën op het reeds voor één persoon krappe bed. Enfin, weinig geslapen.
In Lahore even uitgerust in de stationsrestauratie en toen een oude bus naar de grens. Die busrit mijn ogen uitgekeken: Hier was het opeens na weken groen en drassig! Overal runderen, kinderen spelend in modderpoelen, fruitventers, en zelfs heuse regen. De bus bleek 5 kilometer vóór de grens te stoppen en ons werd verteld dat we moesten overstappen. Er was echter niets om in over te stappen. We schuilden in een andere bus voor de regel en zagen hoe de weg langzaamaan in één groot zwembad veranderde. Tot onze enkels toe door het water wadend trachten we een bus tot de grens te vinden. Uiteindelijk met een taxi-ritje alsnog snel de grens bereikt.
De grens was een langgerekte zone van enkele kilometers waar af en toe een hokje stond waar een of andere formaliteit moest worden afgehandeld. Max bleek totaal géén geld bij zich te hebben. Ik heb hem voor 5 minuten de helft van mijn travellercheckes geleend, en voor mijzelf dan maar 300 dollar opgegeven. Maar ik had er wel de schurft in, waarover later meer.
Kreeg ook last van buikpijn, wellicht constipatie van het vele stil zitten.

8 Juli, Amritsar
Over de grens in India kom je al snel in de hoofdstad van de deelstaat Punjab: Amritsar. Erg interessant, met al zijn smerige modderpoelen en vette stinkende lucht bedrijvigheid, en dan pots, middenin die drukte, die

Gouden Tempel, Amritsar

“gouden tempel”. Schoenen afgeven, hoofddoek op, voeten wassen, en dan, samen met honderden anderen, de tempel binnen. Plots lijkt de stad vergeten, en loop je in een sprookjesachtige sfeer vol achting en heiligdom. De tempel bestaat uit een grote witte rondgang om een vierkante vijver met in het midden de tempel zelf, schitterend van bladgoud. Binnenin de tempel muziek, gebed, gratis voedsel en een offerplaats war ik ook een paar 10 Paisa munten op een enorme berg heb gegooid. Heerlijke sfeer. Ben ik de bovengalerij gaan zitten en heb tijdenlang geluisterd naar de muzikanten en gekeken naar de eindeloze stroom bezoekers.



Terug naar mijn guesthouse, vanuit de riksja weer naar al het tumult om me heen gekeken, maar ook naar de grote groepen gieren en zwarte wouwen die boven de stad cirkelden, de groene parkieten, soort beo’s , kraaien en noem maar op.  Dat terwijl de bestuurder zich voor twee rupees in het zweet aan het fietsen was voor mij. Die rolverdeling moet ik nog wel aan wennen merk ik.

9 Juli, Beas.
Na één dag Amritsar per bus doorgegaan naar Beas om een kerkdienst met die beroemde Maharaji bij te wonen.
Vanuit de riksha vanaf het busstation naar het centrum weer mijn ogen uitgekeken: koereigers, bijeneters, de vreemdste andere vogels, boeren die rijst aan het panten waren in de ondergaande zon,… In Beas zelf kreeg ik een tegenvaller: Ambtenaren in functie hielden tegen en vertelden dat ik enkel op uitnodiging (van een bewoner van Beas) verder mocht. Ik kon voor één nacht in het guesthouse slapen, en dat was dan wel gratis, maar ik moest de volgende ochtend dus weer vertrekken.
Dat guesthouse was gelijk de meest luxe kamer die ik ooit gehad heb, met fan, douche, toilet, wastafel, … Beas zelf is een mooi heerlijk rustig dorp, heel anders dan de meeste Indiase steden: geen auto’s, überhaupt vrijwel geen verkeer en geen drukke winkelstraten. Wel een gemeenschappelijk eethuis voor zo’n beetje heel Beas. Daar mocht ik ook (spotgoedkoop) eten en drinken.
Hoogtepunt (waar ik klaarblijkelijk toch bij mocht zijn die ochtend) was de satsang van de Maharaji. Hij werd in het Hindi gegeven helaas, maar misschien juist daarom wel een hele belevenis, omdat ik me kon concentreren op alles behalve de inhoud. De Maharaji was een indrukwekkende verschijning met een ijle, zilverwitte baard en verder grijs haar. Ik zat als enige Europeaan tussen de honderden Indiërs, kleermakerszit, devoot te wezen. Wel jammer dat ik niet op mocht gaan in de menigte: ik werd van mijn plaats gedirigeerd naar een plek vooraan. De Maharaji scheen dol te zijn op Europeanen, en dit schenen zijn uitdrukkelijke instructies te zijn, voor mij natuurlijk wat genant. Ná de dienst waren er veel jongetjes, mannen en heren die een praatje met me wilden aanknopen. Begrepen dat de satsang ging over van God in jezelf. Ze legden me ook uit dat hij ook weer benadrukte, zoals hij altijd deed, dat iedereen gewoon zijn normale werk moest blijven doen. Eéntje wilde ook nog wel een goed woordje voor me doen bij de “immigratie”-office, maar dat mocht niet baten: ik moest die dag vertrekken. Mijn pleitbezorger bleek bij het afscheid nog een tweede bedoeling te hebben: of hij mij in Nederland kon schrijven, dan kon hij met mijn retourbrief proberen een visum voor Nederland te krijgen.
Die ochtend dus Beas weer “uitgezet”. Ik ben expres gaan lopen, om eens wat van de omgeving te zien. En ik viel van de ene verbazing in de andere: Eerst in een greppel langs de weg opgeschrikt door het gegil van een grote groene kikker die door een varaan van het leek wel een meter lang in zijn bek werd afgevoerd. Overal koereigers, en een soort witte kwakken met enkel een grijze rug, kanjers van ijsvogels, vreemde scharrelaars en kleine bijenetertjes, bruin-wit gestreepte eekhoorns, een grauwbruin vogeltje met een lange kromme snavel waarmee het nectar uit bloemen zoog, zwart-witte ijsvogels (shopfishers), grauwe lijsterachtige vogels met lange oranjige staarten met witte veerpunten, grijze buulbuuls met een rode kont, een donker soort bonte vliegenvangers, enz. Het grootste deel van weg ben ik 100 meter van het asfalt vandaan achter een zandplateau langs gelopen.

Twee reausachtige oehoe’s vlogen vlak voor me op! Eén ervan strijkt even ater dicht bij me neer. Als ik hem benader voor nog maar eens een foto, maakt hij geen aanstalten om weg te vliegen, maar gaat in plaats daarvan wat dreigend voorovergebogen in mijn richting zitten. Ik heb toen toch maar weer voorzichtig een paar stappen terug gedaan. Respect! Even later een jonge ijsvogel vlakbij. En twee donkerbruine fazanten met in de vlucht prachtig rossig-bruine bovenvleugels. En veel vreemde insecten, vooral veel libellen, en ook nog eens bizarre planten. Tamelijk verbrand en dorstig kwam ik op het station aan. Daar kwam plots een moesson-bui uit het niets opzetten. Wachtend op de trein nog een paar foto’s gemaakt van een slangenbezweerder, iets wat de omstanders vrees ik veel interessanter vonden dan die hele slangenbezweerder op zich.
De trein was een belevenis: Je stapt in een wagon die volgens  het koperen bordje plaats biedt aan 13 personen, en na enkele tussenstations (ik bleek een kaartje voor een stoptrein gekocht te hebben) was het daadwerkelijke aantal al 45 man. Wel prachtig om zo mee te kunnen kijken en beleven met de hele gezinnen met kinderen, het gekissebis, de venterjes (vaak nog kinderen) van kleien kommetjes met cha, het landschap van tarwe-akkers, het stoppen om water voor de stoomketel bij te tanken, het roet van de locomotief dat door de open ramen naar binnen vloog, enz.

11 Juli, Rishikesh.
De treinrit van Beas naar Hardwar duurde van 7 uur ’s avonds tot 10 uur ’s ochtends: 371 km volgens het kaartje. Geen oog dicht gedaan. Na een aansluitende busreis met 77 passagiers kwam ik uiteindelijk redelijk gesloopt in Rishikesh aan.
Een tonga naar de Sivananda Ashram. Toen de Reception Office openging helaas te horen gekregen dat er geen accommodatie beschikbaar was in de Ashram. Wel welkom om hun programma te volgen, maar dan moest ik zelf dus een kamer nemen in bijv. de tourist bungalows, 2 km verderop. Dat was voor 7 rupees per nacht (anderhalve gulden), maar dan wel een ruime kamer met een fan, wat vooral belangrijk was tegen de muggen.
De volgende dag om 5:30 mijn gewrichten verdraaid in asana’s. Daarna Vedante reading en toen naar Krishnananda’s bezoekuur. Vervolgens naar de eeetzaal, een beker en bord pakken en die vervolgens uitgebreid wassen met een soort zand en afspoelen, een kwartier zingen terwijl iedereen binnenloopt en aan een lange rij op de vloer plaatsneemt, het eten uitgedeeld krijgen uit enkele gaarkeuken-potten die langs de rij gesleept werden, vingertoppen in de prut en eten maar! het is af en toe vrij scherp gekruid maar het is te doen.
’s Middags eerst wat gerust en toen naar de volgende Vedanta-reading gegaan. Deze was echter zeer druk bezocht, maar voor mij vrijwel onverstaanbaar, ook al was het in het “engels”. ’s Avonds van 6 tot 7 in de meditationhall doorgebracht  (voor wat ik nog waard was) en daarna bekaf naar bed.
En de volgende ochtend om 5:30 deze riedel weer van voren af aan. ’s Middags leuk vermaakt met de resus-apen op ht dak van de tempel. En individuele gesprekken met monniken, lieve mannetjes die me bemoedigend toespraken, boeken aanraden, een andere mantra gegeven (nong-sau was fout,  ik moest sow-te ham neuriën), en voorschreven om in Bennekom vooral toch ook af en toe wat te feesten.’s Middags de hele middag in het hotel geslapen, en daar ook ’s avonds gegeten. De volgende dag weer vroeg op en samen met Grivant, de fransman waar ik als lotgenoot mee optrok (ook in de ashram, ook overnachten in dit hotel) weer naar een lezing. gelezen, en nog weer lezingen en diensten bijgewoond.De keukenmeester kon me niet langer matsen en doorlaten voor de lunch zonder officiële toestemming van de ashram, dus vanaf nu maar naar een plaatselijk eethuisje langs de Ganges, waar ik voor een rupee (een kwartje) een volledige rijstmaaltijd met Sabsi en Khola kon krijgen.’s Middags naar de markt gegaan om fruit en sandalen te kopen, en nog op zoek gegaan voor een wekker Een Deen kwam van achterop en knoopte een praatje met me aan. Hij moest ook naar de Postoffice, net als ik. Ik voor het posten van mijn wekelijkse brief naar huis. Hij zat te wachten op een postwissel met geld. Nog even met hem een oude tempel opgezocht, die gesloten bleek. Toen kwam de aap uit de mouw die ik al een beetje aan voelde komen, dat hij platzak was. Heb hem maar een maaltijd aangeboden, maar verder geen geld. Kan het eigenlijk niet uitstaan dat in een land met zoveel straatarme mensen mede-Europeanen gaan lopen schooieren en een beroep op je solidariteit als mede-tourist proberen te doen, alsof we van een speciale bij elkaar horende soort zijn. Waarom hem wel geld geven, en niet die bedelaar om de straathoek? Ik ben sowieso niet scheutig met bakshees, geef het her en der. Er zijn hier in Rishikesh trouwens sowieso niet veel bedelaars, en zeker geen opdringerige.Terug in Tourist Bungalow een (perfecte) douche genoten en weer naar de meditation hall. Heerlijk gemediteerd, met steeds langere periodes waarin ik in een prettige, ontspannen concentratie alle gevoel voor tijd en omgeving verlies. Daarna weer een theehuis binnen gestapt waar ze zeiden binnen tien minuten verse rijst en dahl voor me klaar te kunnen maken. Grinnikend bestelde ik alvast maar een chai vooraf. Het werd een half uur later, ook best.Regen. Veel regen. het is volop moesson en al na een paar droge uren in de ochtend storten de eerste buien zich als een warme douche over je uit. En als het dan na een half uurtje weer opklaart wordt het gelijk enorm broeierig. De rotsige heuvelwanden zijn dan ook volledig bedekt met venushaar (weinig andere planten), en mooie vlinders, gekko’s, hagedissen met lange staarten, en twee soorten apen (resus-makaak en de Hanuman-monkey, een soort gibbon).Gisteren pech gehad met een val op mijn knie (de regen en alg had sommige overlopen buitenlangs het hotel spekglad gemaakt). Gezwollen, pijnlijk. Even geen asana’s te maken. Wel naar Vedanta reading geweest en nu dus zowaar weer even bij met mijn dagboek.
 20 juli, Rishikesh.

Nog een paar dagen in Tourist Bungalow gelogeerd. Prachtige wolkeloze avonden meegemaakt met fantastische sterrenhemels, overal glimwormen van verschillende soorten (allemaal met hun eigen vuurtoren-code), en kleine uiltjes op insektenjacht. Overdag een paar prachtige donkerbruine vlinders met een gele zoom langs de vleugels gefotografeerd. En me vermaakt met brutale little green bee-eater waarvan er een heleboel op de ballustrades van de balkons van het hotel zaten. Soms waren ze zo tam dat ze in vlucht een vlieg van mijn broek af “snapten”. Verder een soort beo’s, gekko’s, een soort mongoest waar flink alarm voor werd geslagen door allerlei zangvogeltjes, een fraaie valk, veel leuke kleine (ruigpoot? ) uilen, zwaluwen met een langepen aan hun vleugels en een rode stuit en kop, anderen met meer een huiszwaluw tekening maar dan met een donkere buik, ’n soort wielewaal, gieren, hagedissen met grijsblauwe rug en oranje buik en een lelijke ronde kop, weer die ijsvogels, kakkerlakken in rode en zwarte uitvoeringen, snel en groot en overal.

Na nog eens aangedrongen te hebben bij de ashram uiteindelijk voor vier dagen accommodatie in het klooster zelf gekregen. Ik lig nu in een kamer van Sivanandashram, die ik deel met Grivant. Het meubiair is hier zeer simpel: Een matras, en eén plankje langs de muur, met daarop één vaas.  Maar de kamer is mugvrij en er is een fan en licht.

De meditaties vallen me niet mee, en ook het stuk bijbel waar ik nu ben (brieven van Paulus) kan me niet zo boeien. De Satsang ’s avonds was wel weer interessant: eerst een uur Sanskriet zang onder begeleiding van harmonium, trom en bel-gerinkel. Vervolgens had een monnik die echt vlot praatte toch een vol uur nodig voor één enkele statement: Samadhi is een subjectieve zaaken daarom niet door wetenschap geaccepteerd wordt in zijn bewustzijnstoestanden en verworven eigenschappen. Daarna nog weer muziek tot tien uur en toen met een handje kikkererwten moe naar mijn kamer.

Vanochtend moeite met opstaan maar de asana’s waren werkelijk verkwikkend.

  21 juli, Rishikesh.

Gistermiddag us er nog een fransman bij gekomen. Hij draagt tee verticale strepen op het midden van zijn voorhoofd: een aanbidder van Krishna.

’s Avonds maar eens geen saus bij de rijst genomen want ik ben weer eens wat aan de dunne. Ook maar eens wat ge-experimenteerd met Norit kijken of dat helpt. Het eten in de ashram is overigens voor Indiase begrippen prima: ’s Ochtends kan je een schaaltje bonen of een soort griesmeelrijst (lekker) met thee krijgen. Het gaat er tijdens het ontbijt ongeregeld aan toe, iedereen loopt af en aan. Wel na afloop natuurlijk je mok en kom wassen: eerst inwrijven met zand en dan goed afspoelen. Lunch is altijd rijst, soms wit, soms geel van de kerrie. Verder krijg je daar naar believen Roti (chapati), sabsi of andere groenten-sausen, en kali (een soort kerrie-water) bij. Een enkele keer ook dahl en aan het eind soms een wit-vlokkig soort melkwater, wat behoorlijk goor smaakt. ’s Avonds min of meer hetzelfde.  Bij deze twee hoofdmaaltijden moet je dan wel op tijd zijn en wordt er eerst een kwartier lang Haree Krishna gezongen, terwijl iedereen binnendruppelt. Onder het uitdelen zingen ze iets anders, wat meer als een gebed klinkt. Daarna nog een keertje Haree Krishna, Haree Rama, en tot slot nog een kort gebed door de “chef-kok” swami. De meeste monikken plengen vervolgens eerst nog wat water rond hun bord. En dan wordt er in rap tempo gegeten. Eten gebeurd, zoals in heel India, met de rechterhand. Ik begon zelf met mijn linkerhand te eten, omdat ik nu eenmaal linkshandig ben. maar ik ben toch maar op rechts overgestapt toen ik begreep dat dit voorschrift was en dat de linkerhand als onrein beschouwd werd omdat daar op de WC hun billen mee wassen met water uit het kraantje aan de wand. Zelf neem ik die gewoonte niet over, maar om misverstanden te voorkomen eet ik dus toch maar rechtshandig.

Na elke maaltijd moet je je (ijzeren) plaat, kom en mok zelf weer schuren en afspoelen en afgeven aan een jongetje dat keurt of het schoon is. Zoniet, dan krijg je het gewoon weer terug.

Op straat lag een zojuist doodgereden hond. Naar gezicht.

’s Middags wat foto’s gemaakt rond de ashram. Vooral mooie vlinders. Maar ben gammel en voel me verkouden, en heb de rest van de middag op mijn kamer doorgebracht. Brief geschreven aan mijn ouders (die heb ik beloofd wekelijks te schrijven), en eentje aan broer Chris en Titia.

24 juli Kotadwara.

Om het kort te houden: de 22ste niet naar de ashram gegaan omdat er een misverstand over een wekker was met Givant. Enfin, ook de swami bleek er achteraf niet te zijn geweest. Wel ontbijt en Vedanta-cursus gevolgd en gevraagd of we nog een dagje extra konden blijven. Dat kon. Brieven afgemaakt en gepost, en ng een paar uur in de bibliotheek doorgebracht. Iedereen kan deze klooster-bibliotheek vrij in- en uitlopen, en er staan gewoon rekken met boeken. En er is altijd een dienstdoend bibliothecaris. En dat is maar goed ook want eenmaal kwam er een zebu binnen kloffen en hapte gelijk het eerste boek van de dichtstbijzijnde plank. De zebu is weliswaar een heilig dier, maar de bibliothecaris ging er wel met een soort mattenkloppertje achteraan om het dier weg te jagen en zijn boek weer terug te krijgen.

Verder nog gesprekken (audiënties) gehad bij Shankarananda, een aardige monnik. En het dagprogramma van Vedanta-readings, Hata yoga en satsanga’s gevolgd. Tinwhistle gespeeld aan de oever van Ganges.

Mijn fototoestel draaide na zijn laatste opname door naar 37 en blokkeerde vervolgens. Maar bij het terugspoelen hoorde ik de perforatie kraken en scheuren. Na een paar draaien ging het veel te zwaar. In een poging het filmpje te redden ben ik met fototoestel en al omgekeerd in mijn slaapzak gekropen, bij wijze van donkere kamer. Na lang prutsen in de warme vochtigheid van de slaapzak besloot ik de rechterkant er maar af te scheuren. En een nieuw filmpje ingezet. En daar gelijk een deel van de foto’s mee overgedaan. Ik vermoed dat het plakkerige moesson-weer het filmpje heeft doen verkleven. Het fototoestel vanaf nu steeds maar zo droog mogelijk opbergen. De ashram betaald met een donatie van 30 rupees, waarna ik als donateur alsnog een rondleiding over het terrein kreeg, en een soort oorkonde, wat pamfletten van Sivanada, en wat poeder om stippen op mijn Trikuti te zetten. ‘

 

s Middags weer vertrokken naar Haridwar, en daar ’s avonds een tijd lang geboeid gekeken naar alle bedrijvigheid op de stoepen van de Ganges, het bidden, het wassen, de tewaterlating van bladerbootjes met kaarsen.

De volgende ochtend nog een grote boom bomvol kleine zilverreigers, ralreigers en kwakken bekeken.  Toen ik ook nog eens foto’s wilde maken werd me door een politieman duidelijk gemaakt dat dat niet mocht, iets te maken met dat het een “prohibitit area” was.
Die middag voor zeven rupees een bus naar Kotadwora genomen. De weg was goeddeels onverhard en de weg kruiste af en toe een rivierbedding waar in deze moesson-tijd een behoorlijke puist water langs stroomde. De chauffeur wachtte dan eerst een ogenblik, leek moed te verzamelen, om vervolgens met zoveel mogelijk vaart dwars door het water te rijden. Het water spoot in een fontein onder de achterdeur door de bus in. Verder mijn ogen uitgekeken aan mede-reizigers, zowel Indiërs als hun pakken bagage, en geiten en kippen, enzovoort. Het landschap in deze voorbergen richting Nepal bestond vooral ui Eucalyptus-bossen, nogal eentonig. En een paar jongens die mij claimden om me uit te vragen over mijn bagage, mijn camera, mijn pa’s salaris en mijn vriendinnen waren wat minder leuk. Die heb ik op een gegeven moment wat afgepoeierd.
In Kotadwar gegeten, van een fraaie zonsondergang genoten en een hotel opgezocht.

26 juli Lucknow.

De volgende dag om 6 uur naar het treinstation in Kotadwar gegaan. Ik was van plan om met de bus richting Ramnagar te reizen om daarlangs Nepal in te gaan. Maar de wegen waren te zeer overstroomt en de bussen reden niet die kant op. Toen maar een stoomtrein naar Lucknow genomen, een reis van 12 uur. Daar een riksja genomen naar het goedkoopste hotel dat hij kon vinden. Specs-hotel had een simpele kamer voor 12 rupees, nog steeds boven mijn “dagbudget”… Mijn truc om de riksja-mannen in te schakelen om een goedkope kamer voor me te bemiddelen leek dus niet te lukken. Maar even later bleek heel Lucknow gewoon een relatief dure stad te zijn om te overnachten: andere hotels kostten al gauw 30 tot 40 rupees. Dus deze kamer maar genomen, ontspannen met asana’s, in de stad een scherpe maaltijd genuttigd en naar bed. Vandaag uitgeslapen, me laten informeren in het Tourist Department, en de National Botanic Garden bezocht, een soort van slordig aangelegd Arboretum. Nog even een poging gedaan een moskee te bezoeken, maar ik vond het interieur van kitcherige luchters en een soort zilveren miniatuur-kastelen zó lelijk dat ik de gids, die ongevraagd begonnen was een uitleg te geven, snel bedankt heb voor de moeite en er snel weer uitgelopen ben. Op de terugweg in een teashop een coffee gevraagd, waarop ik een “cof of tea” kreeg. Enfin. ik vond het wel best, de sterke thee met melk en suiker  is verkwikkend, en dat is wel nodig in die broeierige moesson.

Eens kijken wat ik vandaag nu zoal in een dag tijd gegeten en gedronken heb: 1 warme melk, 2 chapati’s met saus. 1 tea. 1 sweetie. 5 banaantjes. 1 limo met ijs, 1 tea, 1 coffee, 1 mango milkshake, een stukje kokos, een citroen-ijsje, 1 fanta, 1 kaasburger, 5 chapati’s met 2 sausen, 1 lassie-shake (met heerlijke frisse yoghurt), 1 mango milkshake en in het hotel nog een black tea. Totaal aan paisas 70+220+50+15+25+240+25+25+300+450+125+0=1580. Omgerekend 5,75 gulden. Ook weer boven mijn “dagbudget”, dus morgen maar wat kalmer aan doen.

Morgen ga ik sowieso maar weer verder want Lucknow vind ik niet erg bijzonder: het is een ruim opgezette, wat modernere provincie-hoofdstad, met brede straten, nette winkels en grote regerings-gebouwen. Ik wil verder naar Benares, de meest heilige stad van de Hindu’s.

 30 juli, Benares.

De wagon in de mail-express stoomtrein van Lucknow naar Varanasi zag er verdacht leeg uit. Dat vermoeden was terecht want deze wagon bleek gereserveerd. Een eind verderop in de trein, wagons met enkel soldaten en andere wagons met enkel vrouwen passerend, bereikte ik de inmiddels mij welbekende overvolle ongereserveerde tweede klas wagons. Maar ik had dit keer mazzel en mocht een groot deel van de reis op het conducteurs-bankje zitten en kon lekker naar buiten kijken. Hoewel minder vogelrijk dan het stuk van Haridwar naar Lucknow toch nog steeds veel gezien: zilverreigers in de rijstvelden bonte ijsvogels, arenden, en weer enkele prachtige enorme sarus kraanvogels.

In Benares eerst een nacht in Bharat Resthouse geslapen, maar de volgende dag toch een kamer meer in het centrum van de stad genomen, in Welcome Hotel. Daar heb ik de nacht erop vervolgens tot half drie ’s middags doorgeslapen. Heb regelmatig last van hoofdpijn en diarree.

Mezelf getrakteerd op een exemplaar van “the book of Indian Birds” van Salim Ali. Dat heb ik wel verdiend, kan ik al die vreemde vogels eens op naam brengen. Hoewel het moeten beschrijven van “ziet eruit als een bruine gaai…” enzovoort ook wel iets had. Ik gelijk kijken of ik een gekke roofvogel kon terugvinden die paniek zaaide onder de duiven in de stad: iets kleiner dan de talloze zwarte wouwen hier, met een recht afgesneden staart (dus minder gevorkt), wat kleinere meer havikachtige vleugels en een levendige streepjes-tekening op de creme-bruine borst en buik. Roep een schel, fluitend “pieèw”. Maar helaas: het boek beschrijft zo’n 280 van de algemeenste vogels van India, zo’n 10% van het totaal. Deze zat er niet bij.

Bij de uitgang van de boekwinkel wachtte een man met een 1,5 meter lange python me op. Ik kon ook een cobra kijken. En even verderop liep een tweede met een mangoes aan een leiband. En een cobra-mangoes gevecht was ook te regelen, maar zou me dan 15 rupees kosten.

Ik ben nu een dikke drie dagen in Benares maar heb al wel een idee, denk ik. Ik heb nog niets van de toeristische bezienswaardigheden gezien. Maar de bevolking van de stad heeft mijn indruk van de stad al op een behoorlijk negatieve manier bepaald: er zijn hier ontzettend veel bedriegers, oplichters en dieven. Soms lijken ze voor niets terug te deinzen. Bijvoorbeeld in het Welcome Hotel waar ik verblijf zouden twee jaar geleden nog twee fransen zijn beroofd en vermoord (ik houd mijn deur dus ook ’s nachts maar goed van binnenuit op slot). Op straat wordt ik constant lastig gevallen door allerhande handelaren in zijde, fluiten, citars, brocade, hash en opium. Twee keer heb ik zo’n ventje van 20 jaar door laten praten om te kijken waar het heen ging. Er zit altijd een mooie opbouw in hun praatjes. Ze beginnen met “no money, no business” en “I’m a student” (so) “I’m your friend”, om vervolgens ergens terloops te vragen in welk hotel je zit, om vervolgens een veel betere en goedkopere kamer voor je weten in een hotel waar we toevallig vlakbij zijn en zo even langs kunnen. En dan kan ik gelijk ook even een bezoek brengen aan de crematie-plaatsen, of naar de golden temple, en valt er onderweg ook nog een zijde-winkel van een familielid te bezoeken (“just looking” of course). Of hij laat je de Ganges zien en somt vervolgens de voordelen op van boottochtje. en als je dan zin zegt te hebben in zo’n boottocht dan, wat toeval, heeft hij een (kennis met een) boot. En als ik uiteindelijk niets afneem wordt er nog een laatste riedeltje afgedraaid: “hasj?”, “dope?”. Ik zal niemand kwalijk nemen dat ze aan me willen verdienen, maar ik wordt het wel zat dat er niet gereageerd wordt als ik duidelijk aangeef geen interesse te hebben. En het zijn er ook zoveel, om elke keer weer af te slaan, alleen al die stoet riksja-mannen die één voor één “Hellóóów my friend!” naar je snerpen. En de rest van de overvolle straat-bevolking loopt dwars door me heen, wat me al met al geen welkom gevoel geeft.

Wat overblijft zijn de bezienswaardigheden, de koopwaar en het hindoeïsme. Vooral dat hindoeïsme, wat zo lagen dik bovenop deze “city that is a prayer” schijnt te liggen, vind ik nog moeilijk te ontdekken. Morgen vroeg maar eens naar het baden kijken. Vandaag naar een burning place geweest. Hier lagen vier in rode sari’s gewikkelde vrouwenlichamen (als het mannen zouden zijn geweest waren het witte sari’s geweest) bezig tot as te vergaan op vier verschillende houtstapels. De as zal later verzameld worden en op strovlotten gelegd aan de Ganges geofferd worden. Boeiend, en eigenlijk totaal niet luguber. Helaas mocht ik maar vijf minuten kijken. De troebele europese geest zal de zielen van de gestorvenen op de lange duur geen goed doen. En fotograferen is al helemaal uit den boze. De ziel die het lichaam verlaat mocht eens onverhoopt door het fototoestel opgeslokt worden…

Ganges, waarom ben jij nu heilig? en niet de Rijn? of de Donau? Die laatste schijnt qua rivier ook nog eens best wel op de Ganges te lijken, is mij verteld. Wat is er in godsnaam zo bijzonder aan jou, Ganges? Niets natuurlijk, tenzij je Hindoe van geloof bent.  Die mensen zijn enorm devoot. En het gecremeerd worden aan de oever van de Ganges  is een enorme uitgaaf voor de familie, maar nog steeds zeer gewild. Maar toch, hoe gelovig zijn ze nu alles met elkaar? Hoeveel geloven ze zelf? Het volk komt me in ieder geval niet erg vroom over, met al zijn ruziemakers en bemoei-als.

Voor mij blijven de bedevaarders die samenkomen op de trappen naar de Ganges toch wel het mooiste wat Varanasi te bieden heeft. Soms ziet het er zeer gewijd en intens uit, oude mannetjes die rechtop zittend in het water gebeden mompelen of helemaal stil zitten. En vlak ernaast kan het er soms weer ronduit prozaïsch uitzien als een moeder haar kind uitgebreid aan het inzepen en wassen is. Ik heb daar uiteindelijk nog mooie Varanasi momenten meegemaakt, stilletjes in een hoekje op de trappen zittend en gewoon maar kijken naar het hele leven dat ik daar zag gebeuren.

Ik had nog een beroemde yogini willen bezoeken in de naar haar vernoemde Anand Maj Maa ashram, maar ze was tijdelijk ziek en er was ook verder geen programma in die ashram te volgen.

Tijd om weer eens verder te reizen, naar Agra, of Nepal, ik zie wel.

 5 aug, Dehli

In Benares die dag nog de Gurda-tempel bezocht die klein en smerig is, maar wel leuke rhesus- apen herbergt. Toen ik onder een poort door liep voelde ik opeens een ruk aan mijn haar en toen ik omkeek zat er zo’n aap me met een heerlijk onschuldig, brutaal gezicht aan te kijken. De pilaren van de tempel bestonden op zich weer uit deel-pilaren, onderaan vijf (de elementen), bovenaan overgaand in één pilaar (brahma). Ook de daarnaast gelegen Tulsi Manas tempel bezocht. Het had mooie spiegel-schilderingen op marmeren muren, maar ik voelde me toch weer vrij gammel en vrij vlot weer naar mijn hotelkamer gegaan.

De volgende ochtend vroeg om zes uur in een huurbootje gegaansamen met drie fransen. Dat was erg leuk en we konden de gats goed bekijken. Ik voelde me tegelijkertijd ook wat opgelaten onder het begluren van de bedevaarders, en durfde eigenlijk alleen in de schaduw van de voluit en ongegeneerd fotograferende en filmende fransen zelf ook af en toe een foto te schieten.

De drieman sterke roeiende bemanning was voor mij als race-roeier wel érg traag en lui. Natuurlijk moesten ze af en toe wel hun best doen als we tegen de stroom op roeiden, omdat ze anders in de stevige moesson-stroming achteruit zouden drijven. Maar als het even kon zaten ze toch het liefst onderuit of light peddelend, terwijl ze op hun betal kauwden. Daarna nog even de Vishnawath tempel bekeken, met zijn dak van bladgoud. Als je de gouden tempel van Amritsar al hebt meegemaakt dan verbleekt dit als een tussen de andere gebouwen verscholen gouden dakpan.

Ik was toen wel klaar in Benares of Varanasi zoals de Indiërs het zelf noemen. Varanasi = stad tussen de Varana en Assi rivier. Nog een zijden sjaal (5 gulden, misschien wat voor Erica) en een borduursel van Boeddha of Brahma (20 gulden) gekocht. Geen idee of ik erg was afgezet, maar kreeg de indruk van niet (ook daar zijn ze goed in, hehe), ook de hotel-eigenaar en een mede-busreiziger verzekerden me dat het een goede prijs was.

Ik besloot naar Pokhara (Nepal) te gaan. Het was dichtbij en het moest daar prachtig zijn. Dus ik nog eens extra naar het Foreigners-Registration-Office gegaan om me ervan te verzekeren dat ik géén visum voor Nepal nodig had. Dus toen ik een da reizen later pas ná het passeren van de Indiase kant van de grens uiteindelijk te horen kreeg dat er wél een visum à 63 rupees moest worden gekocht, voor een verblijf van zeven dagen max., baalde ik flink. In combinatie met de gestage regen en donkere luchten boven Nepal besloot ik toen maar gelijk terug en door te reizen naar Dehli. Nepal komt vast nog wel eens een andere keer.

Die avond met de stoomtrein tot Gonda gekomen. Wat gedut in de dormitory van het treinstation en toen verder gereisd via Lucknow en Barreilly. In Barreilly kon ik nergens een hotel vinden en ben ik uiteindelijk maar bovenop mijn rugzak gaan liggen, express juist middenin de hal volgepakt met andere slapende reisgezelschappen, ongetwijfeld mede gadegeslagen door wat dieven. maar ik sliep pal tegenover de Inquiry-office, en de beambte had beloofd een oogje in het zeil te houden. Enfin, moe genoeg, dus toch lekker geslapen.

De volgende dag in Gonda geld gewisseld, nog een mangoest gespot, koffie gedronken (grote glazen hete melk met oploskoffie en suiker, best lekker).

Onderweg naar Dehli nog een biologie-student uit India gesproken. Hij was nog niet zo aan het specialiseren en leerde werkelijk alles uit boeken. Maar hij wist wel alle namen van de vogels die we vanuit de trein zagen, in Hindi althans. In het engels kwam hij niet verder dan vulture, crow, paraqeet… Maar wel aardig!  En onderweg wel prachtige vogels gezien, die je in die fantastische stoomtreinen lekker vanuit je open raampje hangend in alle rust kan bekijken: bronsvleugel-jacana’s, fazantstaart-jacana’s, grijze wouwen, Indische gapers, etc. Met als toetje tegen de avond plotseling honderden vleermuizen zo groot als bosuilen, even traag maar iets schokkender dan uilen vliegend tegen de oranje avondlucht.

In Dehli ’s avonds door een scooter-riksja na veel gehannes afgezet in een Tourist Camp. Dit was een camping, maar ze hadden een soort grote tenten met 10 bedden per stuk. Omdat ik mijn bagage bij de manager kon laten opbergen leek het wel okay. Uiteindelijk was de verdere bevolking van hashrokende en vreemd geklede Indiërs en duitsers niet zo verheffend. Maar ik was moe, en heb er verder  weinig van gemerkt.

De volgende dag naar de Tourist Office en Connaught Place geweest en wat opgetrokken met een engelse jongen die met het vliegtuig een week geleden in Dehli was aangekomen en nog steeds een beetje als een verdwaalde zombie rondliep. Mulisch schreef het al: de ziel reist te paard… Op zijn aanraden die dag naar Vishal hotel verhuisd, maar uiteindelijk in het ernaast gelegen Venus Hotel beland. Een slecht hotel, maar het is moeilijk om betaalbare overnachting te regelen in deze hoofdstad.

Die dag een bezoek gebracht aan de Jama Masjid, India’s grootste moskee, de Sikh’ Gurudware Sisganj tempel, en tenslotte het rode fort bezocht.

19 okt. 1979(!)

Het is inmiddels twee jaar later, ik ben al lang en breed weer verder met mijn leventje in Wageningen. Voor de rest heb ik het reisdagboek nooit meer afgemaakt. Maar ik kwam nog twee brieven naar huis tegen en wil toch proberen aan de hand daarvan en van mijn talloze al langzaam vervagende herinneringen dit boek af te ronden.

In Dehli heb ik nog tweemaal een van staatswege opgezette yoga-ashram bezocht,  waar ik gratis les kreeg op een grasveld op de campus. Voelde me er echter niet zo op mijn gemak, het miste iets van de beslotenheid van Sivanandashram.

Ik kreeg na een paar dagen wel weer zin de drukte van de stad te verlaten. het weer begon ook eindelijk weer wat mee te werken: de afgelopen dagen had het zoveel geregend dat er serieuze overstromingen waren ontstaan in de buitenwijken van Dehli, metershoog.

Agra leek me leuk, de Taj Mahal moest ik van iedereen persé bezoeken, en ik wou nog naar Keoladeo Gana, een beroemd watervogelreservaat daar in de buurt. Maar dit reservaat was door diezelfde overstromingen al een tijdlang van de buitenwereld afgeloten, dus of dat ook zou lukken viel te bezien. Ik had nog even gespeeld met de gedachte mijn hulp aan te bieden (ik was per slot groter dan de meeste Indiërs, en dat kon wellicht van pas komen), maar besloot het uiteindelijk bij een donatie te houden.

11 augustus reisde ik met de Taj-express naar Agra in drie uur tijd, wat voor die tijd een formidabel snelle reistijd was. Diezelfde dag eerst nog het Rode Fort bezocht. Bijna iedere grotere plaats in India bezit wel zo’n zandstenen ommuurde vesting waar vroeger moghuls hun paleisvertrekken hadden. Dat van Agra was wel erg groot en mooi, je kon er heerlijk struinen tussen de gebouwen, trappen, grasmatten, tempels, wildernis, en dan weer een torentje, enzovoort. In de torentjes, waar niemand kwam, zaten wenteltrappen waarvan de muren wemelden van de vleermuizen. Je kon ze steeds ook schril horen piepen en het stonk er enorm, dat rook ik zelfs. De kostbaarste bouwwerken waren al uit het fort weggesloopt en gestolen, maar juist omdat het daardoor iets ruine-achtigs kreeg vond ik het juist erg leuk.

 

 

Maar toen ik vanuit het fort uitzicht kreeg op de Jamuna-rivier en een kilometer verderop de Taj Mahal zag liggen, was die op zo’n grote afstand al zó betoverend dat ik daar snel de eerste de beste pendelbus naartoe nam.

 

 

Wel, ik zal niet erg gauw voor een gebouw vallen, maar toen ik door de rood-zandstenen poort door in het verlengde van een klassieke tuin een groot witmarmeren gebouw zag, prachtig opgebouwd uit bogen en ui-torens, toen leek dit werkelijk een tijdje als vanzelf boven de grond te zweven. Echt een droom.

Naderbij lopend kwamen de details van de muren, met een soort planten-slingers waar de bloemen in halfedelstenen ingelegd waren. En elk van de vier minarets op de hoekpunten waren op zichzelf al prachtig. Wat een bouwwerk! En dat als graftombe enkel ter ere van de achtste vrouw van een Moghul-keizer. Hij is er later zelf overigens ook bijgezet, want voor een identiek zwart-marmeren gebouw aan de overkant van de rivier was vreemd genoeg geen geld meer.

Verder was er in Agra voor mij niet zoveel te doen en de riksja-mannen waren hier ook nog eens opdringeriger dan elders omdat elk winkel-bezoek waartoe ze mij konden verleiden hun sowieso 50 paisas opleverde, plus een commissie van 25% van het bedrag wat er door mij besteed werd. Kortom, genoeg riksja-mannen die je voor nop willen rondrijden zolang je maar bereid bent 4 à 5 winkels te bezoeken. Ik ben daar één keer op ingegaan, maar na drie lange preken over allerhande halfedelstenen marmeren sigarenkistjes en zijde-borduursels, had ik die manier van vervoer wel bekeken.

Tee dagen later ben ik naar Barathpur, 60 km ten westen van Agra, gegaan om het Keoladeo Gana Wildlife Sanctuary te bezoeken. Daar vier heerlijke rustige dagen doorgebracht als enige gast in het hele Guesthouse, dat ook nog eens middenin het park gelegen was. Het was er zo rustig omdat het eigenlijke seizoen nog niet begonnen was: de trekvogels moesten nog arriveren en de broedvogels waren nog maar net met hun nesten begonnen. Kan ijn, maar voor mij was er meer dan genoeg te zien. Pal achter het hotel broedden, in de verspreide bomen in de moerassen, bijna 5000 painted storks, 2000 openbills (Indische gapers), nog twee andere ooievaarsoorten, honderden slangehalsvogels, 4 soorten aalscholvers, 5 soorten zilverreigers, kwakken, lepelaars en heilige ibissen. De bomen zagen soms meer wit dan groen. Verder vlogen er gieren, arenden wespendieven, witbuik-ijvogels, Indische scharrelaars, groene bijeneters, jacana’s, witbuikwaterhoenen, en talloze andere, meestal volkomen exotische vogeltjes. Ook veel neusschildpadden, flinke jongens, en een keer op een ochtend een prachtige grote, lichtbruine antiloop.

Helaas kreeg ik ook hier weer wat last van lichamelijke ongemakken: dit keer een zwerende voet. Erg lange wandelingen kon ik daardoor niet maken. De opzichter was echter erg aardig en hielp me aan zwachtels en een fiets. Het weer was inmiddels al enige tijd droog (vandaar dat het reservaat nu überhaupt weer te bereiken was), en de zon werd af en toe ook wel knerpend heet.

Daarna nog doorgereisd naar Kashmir, in het uiterste noorden. Na 30 uur non-stop reizen met stoomtreinen en bussen, in Srinagar aangekomen en daar de eerste de beste house boat genomen. Veel meer dan een bed in een bouwvallige woonboot vol muggen was het niet, en daarom de dag erop verhuisd naar Hotel Imperials, wat wel tweemaal zo duur was (meer dan drie gulden per nacht)maar dan ook een grote kamer met eigen douche, was-tafel en zit-wc bood. Normaal koste dit hotel wel meer, maar ik zag dat het uitgestorven was, en kon dus flink afdingen, iets wat ik steeds beter onder de knie begin te krijgen.

De Moghul Gardens bezocht, waar de folders mooier over schreven dan wat ik ervan zag. Het uitzicht vanuit de tuinen over het meer was wel prachtig, dat wel. Overal vlogen talloze ijsvogeltjes, de bonte, maar vooral veel onze eigen europese. Srinagar zelf, het centrum, was niet erg opwindend.

De volgende dag een dag lang een shikara (kano) gehuurd en daarmee op het Nagin Lake gepeddeld. Weer met talloze ijsvogeltjes, die zo tam waren dat ze op de rand van de boot kwamen, een groepje steltkluten, en vooral overal op het meer velden van die grote oranje lotus bloemen. Zelfs nog even gezwommen.

Die avond, 19 augustus 1977, schreef ik voor het eerst sinds 13 dagen weer naar huis. Ik weet niet meer waarom, maar om de een of andere manier was het er de afgelopen week niet van gekomen te schrijven. Later thuis merkte ik dat pa en ma hier best over in de rats hebben gezeten, temeer daar er juist in die tijd berichten waren over de overstromingen rond Dehli. Dat speet me te horen, dat weet ik nog goed. Ik had niet gedacht dat ze zich zo om me zouden bekommeren. Ergens diep voelde het ook weer een beetje fijn, blijven we altijd een hunkerend kind van binnen?

Volgende dag een bus naar Sonamarg genomen, een bergstreek 80 km verderop die erg aan onze alpen deed denken. Daar wat rondgewandeld en de dag daarop een pony-rit naar een gletsjerdal gemaakt. De rit was op zich zeer fraai, maar de begeleiding wat genant: ik had verwacht dat mijn gids op een tweede pony met mij mee zou rijden, maar de beste man ging geheel te voet, af en toe mijn pony bij de teugels houdens, en dan weer eens achter me aanhollend met een stok om de pony tot draven te krijgen. en bij het oversteken van koude gletsjer-rivieren kon ik hoog en droog blijven zitten en trok hij zijn laarzen uit om tussen de rotsen door naar de overkant te waadden… Een beetje opgelaten voelde ik me als jonge vent daar op de pony dus duidelijk wel…

De volgende dag weer met de bus terug naar Jammu. Die busreis had ik al een keer achter de rug op de heenreis naar Srinagar natuurlijk. Maar het was weer net zo’n hachelijke onderneming: Eén enkele chauffeur rijdt 12 uur achter elkaar met misschien drie korte pauzes door een steil berggebied over voortdurende haarspeldbochten een pas van 300 km lengte door. De vele vrachtwagens werden door de bussen op goed geluk ingehaald, vaak in blinde bochten. Als er dan plotseling in een flits een tegenligger opdook werd er aan beide kanten vol op de rem gestaan en vervolgens weer doorgereden alsof het all in the game was. Langs de weg stonden overal borden met moraliserende spreuken als  “Divorce speed, when married…” en dergelijke. Maar goed, ook weer overleefd.

De dag daarop weer terug naar Amritsar. De hele reis vormde qua gesondheid toch wel een aaneenschakeling van ongemakken, dus toen de zware verkoudheid die ik de afgelopen week in de frisse berglucht van Kashmir had opgedaan, hier weer begon af te zakken, kwam daar gelijk weer een flinke diarree voor in de plaats. Tijd om naar huis te gaan…

De volgende dag India verlaten en weer door naar Lahore in Pakistan gereisd. Daar gezien mijn stoelgang maar een kamer met eigen toilet genomen, en ook de dag daarop voelde ik me nog knap beroerd. Knapte in de loop van de dag wel op en ’s avonds een stoomtrein naar Rawalpindi genomen. Daar een of ander jeukbeestje opgelopen in het hotel. Pas terug in Nederland kwam ik erachter dat dit schruft was. De dag daarop in Peshawar in een hotelkamer met muggen gezeten en nog een dag later in Kabul een hotel met bedwantsen… In combinatie met de vervelling die ik nog steeds aan het doormaken was, sinds ik me tijdens het boottochtje op het meer bij Srinagar aardig had laten verbranden, had ik die dagen kortom genoeg te krabben…

Het was eind augustus 1977 ramadan, de vastenmaand van de muslims, en de pakistanen hielden zich daar streng aan. Ik kon overdag zelfs nauwlijks een stukje fruit ergens kopen, en dat moest ik van de hotel-eigenaar ook beslist niet beneden in de hal nuttigen. De Afghanen in Kabul waren een stuk minder streng en daar kon je als tourist de hele dag door wel maaltijden krijgen.

Een bruin, katoenen Afghanees soort “pyama” pak gekocht, waar alle mannen daar in lopen (meestal in combinatie met een colbertje, maar die had ik even niet). In combinatie met een “haircut” bij de plaatselijke barbier gaf me dit zowaar voor even een “fris gevoel”. Overigens is Kabul een erg leuke stad, met veel (souvenir)winkeltjes, kleine markten, moskeetjes en een lekker klimaat.

Na een paar dagen toch maar verder (volgens mij waren mijn colleges inmiddels alweer aan het beginnen), en om zes uur ’s ochtends met een bus die in één dag naar Herat zou rijden. Dat deed ie inderdaad, en wel met één enkele chauffeur in een rit van 21 uur door een hete (overdag) danwel koude (’s avonds)  woestijn. ’s Nachts om drie uur kwamen we dus pas aan. De chauffeur was zo moe geweest dat hij nog maar heel langzaam reed en koers hield door langzaam van de ene kant van de weg naar de andere kant te zigzaggen elke keer net op tijd zijn stuur omgooiend. Ik was toen klaarwakker.

In Herat nog aardig ziek geweest. Ergens op straat eens op een weegschaal gaan staan: ik bleek 60 kg te wegen… Na een paar dagen een bus naar Teheran genomen, met een overstap in Mashad. ’s Avonds doorgereisd met een 48-urige busrit van Mihan Tours helemaal naar Istanbul. Daar met drie mede-reizigers een hotelkamer gehuurd, en toen verder maar weer… liften.

Aan de noordkant van Istanbul kreeg ik, na vrij lang wachten op een oprit, een rit van een vrachtwagen naar Sophia. Helaas mocht ik bij de Bulgaarse grens niet verder mee van de douane (“In Bulgaria gibt’s kein autostop!). Een paar uur later daarom maar een toerbus door Bulgarije genomen.

In een grensplaats in Joegoslavië het dorp uitgelopen op zoek naar een goede liftplek. Hoor ik daar opeens in een dichte haag naast me een mij totaal onbekende vogelzang. Ik weet nog steeds niet wat het geweest is, want toen ik me in de haag boog om het beestje te zien te krijgen en zo enige tijd met mijn verrekijker in de heg stond te turen, hoorde ik achter me opeens een geweer op scherp gesteld worden. Toen ik me omdraaide stond daar een jonge soldaat met een geweer op mij gericht en gebaarde me dat ik van die heg vandaan moest komen. Vervolgens moest ik mijn paspoort laten zien, en met hem meekomen. Ik weet wel dat ik nog even geprobeerd heb hem te vragen zijn geweer niet te richten (dat geweerloop in mijn richting gaf me een onbeschrijfelijk onbehaaglijk gevoel), maar heb uiteraard zonder sputteren voor hem uit meegelopen naar de poort in de heg, waarachter, aha, een complete militaire basis bleek te liggen. Ik werd overgedragen aan een hogere rangs soldaat die in een hokje bij de slagbomen zat. Die begon weer te bellen met een nog hogere Oberste, terwijl ik gesommeerd werd mijn rugzak leeg te halen. Ik heb toen ter verklaring van mijn kijker en fototoestel vooral ook mijn vogelgids laten zien (daar zou een spion nooit op gekomen zijn). Enfin, na een uur ge-ouwehoer mocht ik eindelijk weg, met de plechtige waarschuwing dat als ik nog een keer rond zou neuzen, ze me in de gevangenis zouden gooien (gebaar van twee gekruiste polsen).

In een mengeling van verontwaardiging en opluchting vertrokken, en die dag alsong tot even voor Zagreb gekomen, onder andere in een reibus met een gezelschap fabrieksarbeiders die een dagje uit waren om een buurfabriek te onderzoeken en nog een plaatsje over hadden in hun bus. De sterke drankfles ging al flink rond en de stemming zat er goed in. Ze stopten in een motel en de eigenaar van het motel was zo tof dat ik in het CV-huis mocht overnachten, waar ik licht, water en vooral veel CV had.

De dag daarop meteen weer een lift naar Zagreb zelf, maar daar was het een marteling om verder te komen: na zeven uur was ik tien kilometer verder gekomen… Maar wachten loont: ik kreeg toen een lift van een vriendelijke vent helemaal tot aan Nürnberg! Hij reed pittig door en we waren die nacht alsnog tot aan Salzburg gekomen. Daar heb ik zelf met mijn slaapzak in de berm gepit, een voordeel van in de nazomer liften. Maar de volgende ochtend wou de auto van de beste man niet meer starten, bleek kaduuk en hij moest een dag op reparatie wachten. Terwijl hij voor zichzelf iets aan het regelen was heeft hij ook nog voor mij gevraagd en een nieuwe lift van iemand naar Düsseldorf weten te regelen, werkelijk erg tof. Het was een supersnelle lift met een werkelijk bijzonder aardige vent en ik weet nog goed dat ik een soort eufoor gevoel kreeg dat, ook al ging ik nu weer naar huis en het gewone studentenleven, de hele wereld eigenlijk aan mijn voeten lag… Steek je duim op en gaan!

In Düsseldorf me af laten zetten op een Rastätte waar ik een hollandse eend zag staan waarvan de chauffeur net aan kwam lopen. Ik mocht meerijden tot aan de grens. Achter de grens (Nederland!) kreeg ik gelijk weer een lift van een echtpaar, die mij, toen ze hoorden waar ik vandaan kwam, besloten weer “bij mijn moeder thuis” af te zetten, in Bennekom. Om zeven uur ’s avonds daar aangekomen op mijn studentenkamer op het huis De Noord in Bennekom, gelijk mijn ouders gebeld. Die waren uitgelaten blij. Zelf was ik nog niet zo uitgelaten, maar toen ik die avond aan mijn laatste stukje doorreis begon naar mijn echte ouderlijk huis, begon die vrolijkheid toch opeens te komen, en stond ik even later huppelend en zingend op de bus te wachten.

In de bus kwam ik Peter van Ooyen tegen, die dacht dat ik vermist was geraakt in het watersnoodgebied van India. Ik snapte er niets van hoe híj daar nou bij kwam. Waarschijnlijk heeft Mirjam in de tijd dat ik een keer verzuimd had te schrijven, daar iets over tegen andere NJN-ers verteld.

In de trein zaten een stel oudere mensen tegen elkaar te mopperen dat het toch zo’n rotzooi was in ons land in vergelijking met vroeger. Ik kon daar wel om gniffelen, zittend op een gestoffeerde bank in een schone coupé van een elektrische trein…

Thuis gekomen werd ik met open armen ontvangen, als een soort verloren zoon leek het wel. Vooral mijn vermagering konden ze niet over uit, en toegegeven, ik was ook behoorlijk vel over been geraakt (een BMI van 16…). ’s Avonds maar eens alle kleren die ik de laatste paar dagen niet eens meer verwisseld had, van mijn lijf gepeld. Mijn sokken voorzichtig lostrekkend, want er zaten van de laatste week een paar nare zweren aan mijn voeten, Alles weer lekker zepen in een weldadig bad.

Toen ik eenmaal thuis was knapte ik snel weer helemaal op, kreeg enorme trek, at wel 5 maaltijden per dag, en was al in twee maanden tijd terug op gewicht en eroverheen: 80 kilo. In de tussentijd dus ook nog van de schurft af moeten komen (de huisarts vroeg me of ik het ook even aan zijn assistent mocht laten zien, want het kwam niet zo vaak meer voor vandaag de dag).

 31 jan 2017(!)

Als laatste alinea van mijn twee jaar later voltooide dagboek schreef ik dat dit dagboek zo teruglezend vooral een aaneenschakeling van gebeurtenissen lijkt, en ook met veel lichamelijk ongemak. Twee jaar later, en ook nu 40 jaar later, zijn het vooral de herinneringen aan een intense tijd, die mij toen, en nu nog steeds, enorm goed doet.