Indian travel journey 1980

 

5 nov 1979, Karachi
Deze tweede reis naar India ben ik van plan in drieën te delen: een maand rondreizen (waarbij ik de ashram van Sri Yukteswar in Puri wil bezoeken), drie maanden stage plantenecologie aan de Universiteit van Rajkot, bij Prof. Pandeya, en ten slotte nog weer een maandje voor mezelf. En dit keer met het vliegtuig heen en terug, snel en luxe.
Vandaag om 12 uur ’s middags voor het eerst in mijn leven de lucht in gegaan. Onderweg in de bus in Warmond langs het punt gereden waar ik op mijn vijfde met een rood fietsje was gestopt in het besef aan het einde van de wereld beland te zijn. Nu, twintig jaar later raas ik daar dus met een bus langs op weg naar een vliegveld die me de halve aardbol over zal brengen in nog geen dag tijd… Een paar uur later in een halfvolle DC-9 naar Kopenhagen voor het eerst in mijn leven de lucht in gegaan, het gekke gevoel ervaren om “in de lucht te hangen”. In Kopenhagen overgestapt op een DC-10 naar Karachi, Pakistan, waar ik in het holst van de nacht aankwam. In de aankomsthal gewacht tot het licht werd en toen een bus naar de stad genomen en daar na veel zoeken een relatief dure kamer (fl 10,- per nacht) gevonden. Het was erg warm in Karachi, en ik zweette me te pletter. Ik besloot al snel om maar gewoon kraanwater te gaan drinken, omdat het met cola en chai haast niet aan te vullen was. Natuurlijk iets meer risico op diarree, maar het er toch maar op gewaagd. De eerste dag voelde ik me vervreemd, raar, leeg. Mijn ziel was duidelijk nog (te paard) onderweg. Als ik buiten liep leek het wel of ik tegen een filmdoek aan zat te kijken dat het niet tot me doordrong, dat ik het zag maar er (nog) niet was. Echt onprettig.  Ook is het binnenkomen in zo’n overbevolkt stad niet fijn: veel blikken, veel verkeer. De stad was ook nog eens helemaal niet mooi: brede stoffige straten. Ook moest je goed uitkijken niet via een gat in de stoep in het onder de stoep door lopende riool te belanden. In de kleine zijstraatjes van het centrum krijgt de stad alweer meer sfeer, en ik kan na de eerste dag al geleidelijk meer van genieten van alle winkels van Sinkel. Ook wel leuke dingen meegemaakt: een aardige ontmoeting met een mannetje met een cola-stalletje, wat gekeken naar een visser die in een meertje in een buitenwijk aan het vissen was, wat kameel-drijvers tegengekomen en me ook maar laten verleiden tot een klein ritje voor 10 rupees, een gedresseerde aap een show zien weggeven, erachter gekomen dat het zoeken van sandalen in mijn maat in Pakistan kansloos is, maar vooral: veel  vriendelijke, behulpzame mensen… De derde dag in een (40 meter) lange rij gestaan om driekwart uur later een treinkaartje voor Lahore te kunnen kopen. Op het perron waar mijn trein zou vertrekken kwam 10 minuten voor tijd een trein binnenrijden, die ik beslist ingestapt was als niet een student zo aardig was me te waarschuwen dat dit een lokale stoptrein was.  Even later kwam de goede trein en begon iedereen aanstalten te maken zich naar binnen te vechten voor een zitplaats, best wel de moeite waard op een rit van 18 uur (Karachi-Lahore is 1300 km). Uiteindelijk viel het gedrang wel mee en kreeg iedereen wel een zitplaats. Onderweg werd me van alles aangeboden, en ik heb lange gesprekken met de student, Mohammed-Azam, gevoerd over onze studies en het leven. Hij had geologie gestudeerd op de universiteit van Punjab in Lahore, en kwam nu weer terug op de campus om te kijken of hij daar werk kon krijgen. Vacatures waren er genoeg, maar de meesten waren niet ingevuld bij gebrek aan geld van de regering. Die hele regering werd sowieso veel op gekankerd.

Badshahi Moskee, vanuit één van zijn minaretten.

In Lahore ’s middags nog in mijn eentje wat rondgewandeld, en genoten van het uitzicht over de stad vanaf een minaret van de Badshahi moskee. Ook het Lahore Fort bezocht, een huwelijksstoet en even later ook nog een begrafenisstoet gezien, dahl en chapati gegeten, en in een minibusje (met zijn 23-en, dus echt wel mini) weer terug naar de campus. De volgende ochtend met Azam het geologisch en zoölogisch museum van de universiteit bezocht. Beide musea hadden het oppervlak van een flink klaslokaal, dus dat duurde niet al te lang. Ik zou die avond al richting Amritsar vertrokken zijn, als ik er op het station niet achter was gekomen dat ik mijn jas nog op de campus had laten liggen. Dit keer (in tegenstelling tot op mijn vorige reis) toch maar terug gegaan, en ik was weer welkom bij die aardige Azam om er nog een nachtje langer te logeren op zijn oude studeerkamer. Ik had een geweldige aardige gastheer aan hem, kon met hem mee-eten, hij liet me de campus zien, met zwembad, mensa, snackbars, winkels, wasserij, sportvelden, pingpongtafels (ook nog even uitgeprobeerd met Azam, maar volgens mij had hij wat moeite met diepte schatten). Ik heb ook nog een tijdje met een student uit Iran gesproken, die me een zwartboek over martelpraktijken van de Sjah liet zien. Ik had nog nooit iemand met zoveel haat zien en horen praten.

11 nov 1979, Amritsar
Vandaag de grens overgegaan. Net als ruim twee jaar geleden. Maar de sfeer was een stuk grimmiger, met veel meer personeel aan beide zijden. Met een bank-employee en twee Canadezen nog wat door mijn kijker naar een paar uilen en witruggieren gekeken. En toen met de bus naar het Tourist Guest House in Amritsar. Daar gelijk weer een heerlijke middag doorgebracht in de Golden Temple. Prachtig, sereen. Ik heb een stel heerlijke dagen achter de rug. Heb het gevoel dat het me allemaal alweer een stuk gemakkelijker afgaat dan op mijn vorige reis. Vooral lijk ik meer overwicht te hebben, waardoor het me minder moeite kost om mensen die iets van me willen af te wimpelen. Kan het ook wat sneller met een grapje af doen.  Misschien ben ik veranderd, zijn de mensen hier veranderd, zijn mijn herinneringen vervormd, wie zal het zeggen. Maar het gevoel van ontspanning is daar, en ik ben er blij mee.
13 nov 1979, Amritsar
Ik had voor vandaag een kaartje voor de slaaptrein naar Hardwar gekocht, maar deze trein werd later op de dag gecancelled. Ik kreeg wel netjes mijn geld terug, maar dus nog een dagje langer in Amritsar. Niet erg hoor, ben nog lang niet uitgekeken op deze stad. Bezoek elke dag een tijdje de Gouden Tempel,

en verder gewoon maar wat zwerven door de smalle straten en over kleine marktpleintjes.
14 november 79, Amritsar-Rishikesh
Nog wat moeite gehad om weg te komen vanwege een treinstaking, waardoor alle express-treinen uitvielen. Dus een stoptrein moeten nemen, en die duurde weer van half zes ’s avonds tot elf uur de volgende ochtend, over dezelfde 300 km spoorlijn als twee jaar geleden. Kortweg is het dus bijna op de racefiets bij te houden. Dat komt door het stoppen wat de trein inderdaad volgens dienstregeling deed, om vervolgens lange tijd in elk klein dorp stil te staan, waarschijnlijk om de postzakken uit te wisselen, soms om water bij te spuiten in de ketel, en soms moet er even gegeten of chai gedronken worden door het personeel. Ik telde een keer een stop (in de middle of nowhere) van twee volle uren, sommige andere plaatsen duurde het ook al langer dan een uur. Maar ik zat lekker in mijn boek (Zen and the Art Of Motor Cycle Maintenance, van Pirsig), er was buiten veel te zien, en er was ook plek genoeg in de coupé om te liggen.
In Haridwar de bus naar Rishikesh genomen. Kaartjes kopen kon gelukkig in de bus want ik had even geen tijd voor kaartjes kopen in de loketten-wirwar op de stations. Die OV-bureaucratie is trouwens geweldig om te zien: de stations zijn grote gebouwen met een wirwar van kleine kantoortjes met een nog grotere wirwar aan loketten en tafeltjes die daarvoor doorgaan. In elk kantoortje zitten wel één of twee mensen wat aan te tekenen of af te stempelen in boeken, maar er staan ook altijd nog drie tot vijf andere mensen omheen gewoon maar te staan. En met elkaar te praten, dat wel. Zoveel zelfs dat het vaak niet makkelijk is om de aandacht te krijgen, en mocht je die even hebben, dan krijg je meestal te horen dat je naar de Ticket Collector Office moet gaan. Daar tref je dan eenzelfde tafereel, alleen wordt je nu doorverwezen naar de Main Station Intendent, en vandaar naar de Super Intendent, of de Inquiry, of de Reservation Office, enzovoort. Het schijnt dat dit hele Kafkaiaanse doolhof is opgezet om meer arbeidsplaatsen te kunnen creëren, las ik zonet in een boekje. Gecombineerd met de mensenmassa’s vóór de loketten, op de platforms en in en op (!) de treinen, en de imposante stoomtreinen zelf, maakt dit de treinstationnen tot plekken waar altijd veel te zien is.
16 november 1979 Rishikesh.
In Rishikesh wist ik niet wat ik zag, ik herkende het nauwelijks: Was ik er twee jaar terug in de regentijd geweest met de Ganges als  één enorm brede, kolkende bruine maalstroom, met overal regen en grauwe luchten, hellingen groen van dichte bossen gras, venushaar en andere varens. En nu, in de droge tijd: de lucht blauw, de Ganges de helft smaller, helder, met uitgebreide zandoevers vol grote afgeronde rotsen. De venushaar overal alleen nog terug te zien als verschrompelde gele blaadjes.

Vanmiddag heerlijk langs de oevers van de Ganges gelopen en over de rotsen geklauterd. Leuke stranslopertjes, plevieren, aalscholvers en kwikstaarten gespot. En als krent in de pap een rotskruiper, hippend, kruipend en fladderend tussen de rotsen, zijn naam waardig. prachtig beestje, vooral ook die kleur purper op zijn bovenvleugels.
Het water is zo rustig dat ik er gerust even in kon dippen, wat ik ook gedaan heb. Ben gelijk ook van al mijn zondes verlost, mooi meegenomen.
Bij binnenbochten is er natuurlijk opeens weer weinig oever en juist meer steile rotskanten maar in Rishikesh waren er overal wel trappetjes naar boven, zodat je die bochten over de weg kon volgen. En daarbovenlangs had je steeds weer fraaie uitzichten op de rivier en de omliggende hellingen en gebouwen. Een paartje sporenkievit komt aanvliegen bij de oever.
Een paar kilometer verderop bereik ik een hangbrug. Een vrouw met allemaal hoopjes kleine muntstukken voor zich wenkt mij en gebaart of ik wisselen wil. Ik begreep niet waarvoor, totdat ik even later bij de brug zelf was, waar zo’n vijftig bedelnappen in rij stonden opgesteld. Gelukkig waren er maar 15 van “bezet”, maar aan de andere kant van de brug stond er weer zo’n rij, en inderdaad kreeg ik gebrek aan muntstukjes… Voor de spitsroede op de terug toen maar 2 rupees gewisseld in een heleboel muntjes van 2 en 3 paisa.
Rishikesh is een heilige plaats voor de Hindoes en het staat er vol met ashrams. Maharishi Mahesh Yogi heeft hier bijvoorbeeld zijn hoofdkwartier. En Sivananda, de oprichter van de ashram die ik nu bezoek, net als twee jaar geleden, moet ook flink aan de weg hebben getimmerd want er staan hieroveral ziekenhuizen, drukkerijen en andere gebouwen die zijn naam dragen.
17 Nov, Rishikesh.
Leuke dag gehad. Vanochtend uitgeslapen en om negen uur gaan wandelen. Mooie dia gemaakt (tenminste dat hoop je dan maar) van sporenkievitten op rotsen met rondom wit zand en op de achtergond de Ganges.

Over goed begaanbare paadjes langs kliffen naar de hangbrug gelopen. Uitzicht over de in de diepte blauwglinsterende Ganges. Plots vloog er in diezelfde diepte een zilverreiger langs. Satori! schoot het door mijn hoofd. Vlak daarna kwamen er nog twee reigers achteraan vliegen, om me aan het denken te zetten: als dat daarnet Satori! was, wat is dit dan?
Een man sprak me onderweg aan en liet me een brief lezen die door het Sivananda Leprozen Hospitaal was uitgetypt. Daarin stond dat hij Rs 340,- nodig had om zijn been te kunnen laten afzetten en een prothese te krijgen. En dan begint hij te jammeren, laat zijn been zien en vraagt natuurlijk of ik hem wil helpen daarbij. Wat moet je dan? Het is best veel geld, in ieder geval teveel om regelmatig uit te geven. Besloot hem 100 Rs te geven, “only for the leg”.  Dat hij vervolgens me nog achterna kwam om ook nog geld voor een maaltijd te vragen heb ik maar als teken beschouwd dat hij echt van plan was die 100 Rs voor zijn been te reserveren, maar ik snap het dilemma..
Bij de brug een flesje frisdrank gekocht. Je hebt hier een keur aan lokale merken als Limca, Orange, Thumps Up, Double Seven, Caral Cola, Royal Crown Cola, Merit,  enzovoorts. Allemaal even zoet en vaag. Maar de kunst is om er tussen alle flesjes die in emmertjes water gedompeld liggen, eentje te vinden die een beetje koud is. Via de andere oever teruggelopen en ter hoogte van Sivanandashram een veerbootje terug kunnen nemen. Erg veel bedelaars onderweg, voornamelijk bedelmonniken (sanyasins). Totaal zeker 300, ik ben opgehouden met uitdelen…
In de ashram een vermakelijke lezing bijgewoond van een 81-jarig mannetje wat met een krakerige stem schreeuwde dat atomen bedrog zijn en God alles geschapen heeft uit ether, lucht, vuur, water en aarde. Voelde als terug naar de Middeleeuwen. Toch kom je in de Indiase filosofie best aardige denkbeelden tegen, zoals het besef dat wij alleen waarnemingen tot onze beschikking hebben, en een werkelijkheid buiten ons alleen maar kunnen veronderstellen. Aan de andere kant omarmden sommige Hindu-filosofen de theorieën van  Einstein om verklaringen te vinden voor de talloze wonderen zoals zweven en onzichtbaar worden. ’s Avonds nog een uur in de meditatiehal gezeten, maar zat er als enige. Zou voor een goede meditatie natuurlijk niet uit mogen maken, maar toch. Vroeger zat het er vol, maar alle monniken mediteren tegenwoordig naar het schijnt op hun kamer (of helemaal niet). De Satsanga (avonddienst van acht tot tien) was wel weer erg leuk: volle bak (80 monniken), en de lezing is goed te volgen Engels. Het moest een soort preek voorstellen, maar de sprookjes van Andersen waren er niets bij vergeleken. Het is al met al soms een malle vertoning in de Sivanandashram. Ben inmiddels benieuwd wat ik in de ashram van Yukteswar in Puri aan zal treffen.
18 nov, Haridwar.
Inmiddels weer op reis, richting Puri, Orissa. Onderweg in Haridwar mijn bagage in een locker op het station achtergelaten en naar de ghats gewandeld.

De gats bij Haridwar

Vanaf een brug alles een tijdlang gadegeslagen. Een mooi tafereel vol bladerbootjes die met een brandend kaarsje op te water werden gelaten. Veel gezinnen, sadhu’s, alles door elkaar.
In de stad wel wat last van de vele bedelaars. Vooral diegenen die er prat op leken te gaan arm en mismaakt te zijn: een man die triomfantelijk zijn leproze arm met een stompje waar ooit zijn hand had gezeten naar me zwaaide, anderen waren nog veel verder verminkt en kropen haast onmenselijk als een soort spinnen over straat, veel aandacht trekkend. Ik merkte dat ik er een beetje naar en tegelijkertijd kwaad van werd. Heb veel meer te doen met de arme drommels die níet bedelen of zich tentoonstellen. Begon wat te mijmeren over hoe weinig ik eigenlijk begrijp van hoe de mensen hier denken, wat er in ze omgaat. Hoop er tijdens mijn stage wat meer van te weten te komen, in ieder geval bij de selecte groep studenten waar ik drie maanden mee ga optrekken. De lichte irritatie bleef de hele dag verder bij me, maakte me kortaf tegen verdere bedelaars en bemoeials, en ook minder aardig tegen al die wél aardige Indiërs. Op het station later kwam er een jongetje van een jaar of zes naast me staan terwijl ik ergens op een perron wat aan het schrijven was. Hij praatte honderduit in Hindi en ik probeerde hem duidelijk te maken dat ik dat niet verstond… het was een leuk kereltje en ik deed mijn best er wat van op te vangen. Hij op zijn beurt begreep langzaam dat ik hem niet verstond en probeerde al zijn paar woordjes engels op me uit. Jammer om zo ontzettend niet te kunnen praten met elkaar. Ik had graag begrepen wat hij me allemaal te vertellen had.

19 nov, Haridwar-Calcutta-Puri.
Ik had een treinkaartje rechtstreeks naar Calcutta. De trein vertrok om tien uur ‘s avonds om 36 uur later 1500 km verder in Calcutta te arriveren. Wat moeite om een zitplaats te vinden, maar uiteindelijk door een moslim-familie een overgebleven plek aangeboden gekregen in een door hun gereserveerde coupé. De man des huizes had twee vrouwen, ieder met één kind. Ik werd gelijk uitgenodigd een dagje een tussenstop te maken in hun huis, in Lucknow. Bij moslims is er slechts sprake van twee kastes: de upper en de lower. Zij waren duidelijk upper-cast. Hoewel mijn kaartje volgens hem nog een verdere 24 uur geldig zou blijven en een onderbreking van zo’n lange reis op zich ook wel lekker zou zijn, sloeg ik het toch af. Vooral omdat ik me toch ook wat opgelaten voelde dat ik dit privilege verkreeg puur omdat ik een westerse tourist was. Bovendien waren zij op weg naar Lucknow om te rouwen en bidden voor enkele omgebrachte familieleden ( als ik het goed begrepen had) en ik was er ook niet zeker van of ik in dat plaatje zou passen.
In die coupé die nacht niet echt goed kunnen slapen, en de hele dag daarop half dommelend doorgebracht. In mijn meer wakkere vlagen veel naar buiten gekeken, naar de eindeloze Ganges kleivlakte. Die er overigens heel anders uit zag dan op mijn vorige reis. Ook hier weer, net als in Rishikesh, het grote verschil tussen de groene nattigheid van de moesson op mijn vorige reis, tegenover de gele droogte van nu. Het leek soms wel een woestijn… Alleen aan de smalle dijkjes kon je nog herkennen dat hier een paar maanden terug nog tarwe of rijst verbouwd werd. Nu zag je enkel nog wat akkers met suikerriet of mij onbekende groentes, maar verreweg het meeste land lag braak. Overigens was het dit jaar wel buitengewoon droog, las ik in de krant. Het was de droogste post-moesson tijd van de afgelopen 100 jaar. Enkele tientallen mensen waren al omgekomen van honger en (nachtelijke) kou.
Voor de tweede nacht op diezelfde trein kon ik een bed regelen (een plank boven de coupé-bank) en alsnog veel slaap weten in te halen. ’s Ochtends om elf uur in Calcutta aangekomen.
Ik nam een bus naar het centrum en belandde in een enorme indigestie van verkeer en mensen-massa’s, waar naar alle kanten toe geen eind aan leek te komen, ook niet nadat ik om iets sneller op te schieten simpelweg de bus maar weer uit was gestapt om verder te lopen. Zo’n eindeloze mierenhoop was het, dat ik na een aantal uren simpelweg besloot om te draaien en weer terug naar het station te lopen. Om gelijk door te reizen naar Puri.
Zodra de trein naar Puri op het perron aankwam ontstond een stormloop zoals ik ze al wel vaker had meegemaakt inmiddels. Ik verbaasde mijzelf door mijn rugzak door een treinraampje te kiepen en daar achteraan te springen. Ik zag tussen de schreeuwende en trekkende mensen in ergens een plaats waar alleen een tas op was gezet. Ik vroeg of die eraf konden, kreeg nee te horen maar heb simpelweg een tas ertussenuit getrokken en ben daar gaan zitten. Niemand protesteerde. Eye-opener . Zo werkt dit dus. Mijn westerse komaf en lengte zullen wellicht ook meegespeeld hebben. Even later kwamen een paar grote koeli’s 5 Rs “service-kosten” van me vragen omdat ze een zitplaats voor me geregeld hadden. Maar toen ik ook dat weigerde kwam ik ook daar gewoon mee weg, ook al waren ze er duidelijk niet blij mee.
Die nacht weer weinig geslapen. Maar er was veel te zien en de sfeer in de coupé was goed, al kon ik niets verstaan van alle geanimeerde gesprekken.De volgende ochtend in Puri op het station een hoognodige douche genomen en in de Refreshments Room wat ontbeten. Toen een riksja naar Karar ashram genomen en daar al gelijk die avond aan de meditatie meegedaan. De activiteiten staan in de ashram momenteel echter op een laag pitje: de bibliotheek is dicht, de kok is ziek en het programma is, op de ochtend- en avond-meditatie na, ge-cancelled. Helaas hadden de muggen nog wel een actief programma, en wisten me met tientallen tegelijk uit mijn slaap te houden. Alle fans en muskietennetten waren bezet, en men ried me aan om op de veranda te gaan liggen, waar een zeebriesje de muggen zou weghouden. Dat hielp inderdaad eventjes, tot de wind gind liggen… uiteindelijk nauwelijks geslapen, en de volgende dag toch maar naar een hotelletje in de buurt vertrokken, voor een kamer met fan.
23 nov, Puri.
Puri is een badplaats. Ik kan vanuit mijn raam de branding van de oceaan horen, zo’n vijftig meter verderop. Het strand en het water is erg schoon en er zijn altijd veel mensen aan het zwemmen, of zitten. Niet liggen, zonnebaden of sporten, voor zover ik kon zien. Dat geeft een heel andere sfeer aan het strand dan bij ons. En het zwemmen gaat ook nog eens bij de mannen met een soort lange zwembroek, en bij vrouwen zelfs met sari en al, meestal onder luid gegil en spektakel. Vaak komt er een fotograaf aan te pas en allerlei groepjes laten zich fotograferen terwijl ze languit in de branding liggend poseren. Helemaal vermakelijk wordt het als een rijke en dus goed-doorvoede badgast besluit dieper het water in te willen en zich dan laat begeleiden door een zweminstructeur, in de gedaante van een schriel mannetje met een grote witte  puntige badmuts op. Die neemt zijn gast die niet kan zwemmen dan aan de hand het water in en laat hem of haar niet los. Kortom, echt zwemles is het niet. De lucht is warm en vochtig en het zeebriesje is een heerlijke verkoeling in dit  subtropische klimaat. Op plekken zonder deze bries zweet je je dan ook gelijk te pletter.
Gisteren voelde ik me wat gammel. Ben toen een flink eind door het stadje gaan wandelen, om mijn darmen weer wat te activeren. Die waren volgens mij van het vele zitten tijdens het reizen wat sloom geworden. Ben langs de Jaggan tempel gelopen. Het is een grote fraaie Hindu tempel, maar ik mocht er als niet-Hindu echt niet in.
De wandeling kon de gammelheid niet keren, en terug op mijn kamer lamlendig. Misschien ben ik ook wat verbrand geraakt op het strand, of anders is het een griepje. De ochtend daarop, na ruim 16 uur slapen weer verkwikt opgestaan en wou een zonnetempel 60 km ten zuiden van Puri bezoeken. Er was echter die dag een busstaking (ze willen meer salaris, nou ja..). Wil morgen eens weer wat de natuur in. Wellicht wordt het Chilka Lake. Ziet er op de kaart wel mooi uit, maar ik weet er verder niets van.
26 nov, Rambha.
Gistermiddag, na meditatie, een babbel met een van de strand-fotografen, zwemmen en douchen, inderdaad vertrokken naar Chilka Lake. Deze onnozele afstand van 100 km kost me toch wel weer tien uur treinreizen, vooral omdat mijn stoptrein allerhande express-treinen voor moest laten gaan. Maar heb me in de trein goed vermaakt in allerlei leuke gesprekken.
Eenmaal uitgestapt in Balugan, een plaatsje aan het Chilka Lake, bleek het plaatselijke tourist-bungalow vol te zitten. De pensionhouder had een soort matrasje voor me in een slaapzaal, maar dat trok me niet zo. Ik hoorde een andere trein aankomen (dat is wel handig van die stoomtreinen: je hoort ze van verre), heb toen snel een scooter-riksja aangehouden en ben weer op de trein gesprongen,, om het volgende station weer af te stappen. Dat was Chatrapur, maar ook daar bleek geen hotel te zijn. Ik wou echter niet nog verder doorreizen, want dan zou ik weer van het meer vandaan raken. De stationsmeester heeft mij voor die nacht een divan in de eersteklas wachtkamer gegeven, inclusief douche en WC. Wel met de uitdrukkelijke instructie ’s nachts niemand binnen te laten. De dag daarop teruggereisd naar Rambha, waar ik uiteindelijk in een tourist-bungalow terecht kon. Daar zit ik nu in een lekkere kamer met uitzicht over het meer, als enige gast van het hele hotel. Dat laatste is wel gek, want als ik in de dining hall zit te eten, zit het voltallige zes-koppige personeel aan een andere tafel gezellig babbelend mijn rekening op democratische wijze op te stellen. Die Indiërs kunnen soms zó aan het hangen zijn, dat ik er helemaal de kriebels van krijg. Het lijkt wel een beetje typerend, misschien wel levenswijsheid, of onderdeel van hun religie, maar mij krijgen ze er soms raar mee. In de tuin onder mijn balkon zit af en toe een grijze wouw, er vliegt af en toe een brahmaanse wouw langs (prachtige roodbruin met witte beesten) en vanmiddag ook nog een visarend en een witbuikzeearend in één kijkerbeeld. De zeearend bleek een horst 100 meter achter het hotel te hebben.
Bij het installeren van mijn camera met telelens ontdekte ik dat een aantal schroefjes ontbreken, losgetrild door het vele reizen. Van mijn connector had ik ook al eerder ontdekt dat het losgetrild was geraakt, en dat had ik tot nu toe nog niet kunnen repareren.
28 dec, Rambha
Ben nog een dagje langer in Rambha gebleven om wat kleren te wassen en drogen. De zeearend gefotografeerd, brief geschreven, met de manager zitten praten, wat gelezen. Voor 10 Rs met een visser mee het meer op geweest, wat wel leuk was. We verstonden elkaar in het geheel niet, maar ik kon meehelpen netten binnenhalen en fuiken zetten.
29 dec, Vizianagaram
Op het perron, wachtend op  de middag-expresstrein naar Vizianagaram trok ik veel bekijks. De mensen (jong en oud) stonden tijdenlang als een hele club om me heen. Klaarblijkelijk komen hier niet veel westerlingen. Toen ik het een beetje zat werd, gaf ik dat aan door mijn wenkbrauwen te fronsen en terug te staren. Dat lokte wel wat verlegen glimlachen uit, maar weggaan? ho maar. Ik heb van lieverlee maar “midden in de kring” een boek zitten lezen.Bij aankomst in Vizianagaram  een kamer in een hotel vlak naast het station genomen. Wat fruit gegeten, guave, sinaasappel, en nog een heerlijke vrucht waarvan ik de naam niet weet. En maar bijtijds naar bed, want de volgende morgen moest ik om 5 uur de trein alweer hebben.
1 dec, Bhopal.
Die treinreis duurde 28 uur, dus de volgende dag in de ochtend in Bophal aangekomen. Had gelukkig bij de conducteur in de trein nog een slaapplank kunnen regelen, en een goede nacht kunnen maken. Overdag in de trein eerst met een fanatiek christelijke jongen lopen praten over… driemaal raden. Toen ik liet doorschemeren dat ik ook duidelijk geinteresseerd was in de religie van de Hindu’s was hij zeer teleurgesteld, en legde me geduldig uit dat Hindu’s niet naar de hemel gaan, en (dus) in de hel belanden…Tegen de avond vroeg een man me of ik Larssen kende. Ik meende dat dat een schaak-grootmeester was, en dat was een schot in de roos. Bij het noemen van Eeuwe, Donner en Timman werd hij bijkans lyrisch. Hij had allemaal schaakboeken bij zich (een koffer vol!) en ook een schaakbord, dus even later zaten we in de coupé een potje tegen elkaar te schaken. Toen ik in het eerste potje al na een zet of 10 reddeloos verloren stond, bleek dat hij 10e bord speler van de Indiase competitie was. De gluiperd. Nog een paar potjes gespeeld, waarin ik het ietsje langer uitzong. Mooi om te zien hoe iemand zoveel meer denkkracht kan bezitten. Hij was onderweg naar een tournooi in Bhopal en als ik tijd had moest ik maar langskomen. Ik bleef die dag in Bhopal en had alle tijd om hem inderdaad nog even op te zoeken. Het toernooi werd gehouden in Ghandi Bhewan, een soort klein museum gewijd aan Bapu, zoals de Indiërs Mahatma Ghandi liefkozend noemen. Mijn schakende reisgenoot zat verdiept in een partij tegen een tegenstander die het hem heel wat moeilijker maakte dan ik eerder die dag. Bhopal is een islamitisch bolwerk, met veel moskeeën. Wel een mooie stad, maar ook niet echt bijzonder.
2 dec, Ahmedabad
In Bhopal, wachtend op mijn trein nog bijna bestolen door een jongetje die in mijn rugzak graaide toen ik 20 meter verderop een kop thee haalde. Ik sprong terug en hij er vandoor. Ik geloof dat hij er nog harder van geschrokken was dan ik. Heb het er verder maar bij gelaten. In de nachttrein naar Ahmenabad had ik ook nog iemand die toevallig vlak naast mijn rugzak plaatsnam. Die heb ik maar even “geholpen” door mijn rugzak bij hem weg te halen, zodat hij meer slaapruimte zou hebben. Je moet wat voor elkaar over hebben nietwaar?
4 dec, Rajkot
Ahmenabad bleek een leuke stad met veel leuke kleine weggetjes om te wandelen. Voor het laatste kleine stukje naar de universiteit van Rajkot bleek ik nog een extra overstap te moeten maken en een hele nacht te moeten reizen.
Enfin, ’s ochtends dus in Rajkot aangekomen. Daar op het station een hoognodige douche genomen, schone kleren aangetrokken, en als herboren richting de universiteit vertrokken, die op een afgelegen campus buiten het stadje lag. Ik kreeg een aantal keren compleet verkeerde aanwijzingen en het werd me duidelijk dat we een taalprobleem hadden. Even later vroeg ik de weg aan een jongen die er wel een beetje als een student uitzag, Sarat Babhu, toevallig één van de studenten die voor Professor Pandeya werkte en dus de komende maanden één van mijn studentenmaten zou worden. Gelijk door hem gastvrij op sleeptouw genomen. We hebben gekeken of de professor toevallig al thuis was, maar die bleek nog bij een lezing. Samen de bus naar de universiteit genomen, al met al ruim 10 kilometer verder. Mijn spullen bij Sarat op de kamer neergezet, in afwachting van een eigen kamer in het studentencomplex. En toen de rest van de ochtend mijn ogen uitgekeken in het laboratorium:
Ongelooflijk! In een zaal van 10 bij 30 meter stonden vier grote betegelde lab-tafels, afgeladen met potjes, kolven, monsters grond en planten, vodjes met gegevens, enz. er hing één g;oei;amp. Af en toe vloog er een mus naar binnen. Overal zaten muizen te vreten van de samples zaden die her en der te drogen lagen. Die ochtend zaten we er met vijf studenten en er werd letterlijk he-le-maal niets uitgevoerd. Alleen werd er om een uur of 10 thee gezet.
Tussen de middag gegeten in de dining-hall, wat bijzonder goed smaakte. Het werd  voor mij apart zonder chili klaargezet. Daarna, nog steeds vergezeld door Sarat, de goedgevulde bibliotheek bezocht. Met bijvoorbeeld 10 boekenplanken vol Shakespeare.
’s Middags arriveerde professor Pandeya en werd ik meteen bij de staf-vergadering geroepen en aan iedereen voorgesteld. Het leek me een erg aardige man van ik schat een jaar of veertig, en ik werd uitgenodigd mee naar zijn eigen buro, van waaruit hij een kamer op de campus voor me regelde, terwijl hij ondertussen ook in een snel maar toch rustig tempo allerlei andere zaken regelde. Ik moest na vijfen maar naar zijn huis komen om verder te praten, omdat het op zijn buro erg lawaaiig was (ze waren ergens met een machine bezig). In de tussentijd hielpen Sarat en Krishnan me met het huren van een matras en laken, en het kopen van gloeilamp en muskietennet in de stad. De kamer zelf was drie bij vier meter en gemeubileerd met een stalen ledikant, een stoel, tafel en een provisiekastje. Huur 20 roepies per maand (5 gulden). Lunches en dinners in de dininghall kosten nog eens 125 roepies per maand, dus al met al voor 40 gulden per maand kost en inwoning… koopje.
Tegen het eind van de middag, bij Pandeya thuis op bezoek, deed hij me uit de doeken wat zijn plannen (met mij) waren. Over tien dagen vertrekt hij met een jeep met een stel teamleden om een rondreis van 20 dagen door de Thar-woestijn te maken om de woestijnvorming te bestuderen. Woestijnvorming is een groot probleem in Gujarat en Redjesthan een het worden en het department van Padeya heeft het tot zijn eerste onderzoeksobject gemaakt. Hij wilde dat ik mee zou gaan en voor mijzelf allemaal gegevens zou verzamelen over de vier soorten woestijnvorming die ik daar zou tegenkomen. Om daar dan een verslag van te schrijven. Het leek me te gek, en ik keek er zeer naar uit.
De teamleden leken me ook allemaal erg aardig en spreken gelukkig allemaal goed engels. Voel me zeer content, en ga me eens lekker voorbereiden.
17 dec, Baroda
Ik heb voor het gemak een kaartje gemaakt met de route, die we tegen de klok in hebben gereden, totaal 5000 km.:

De Jeep-tour

De wegen waren vaak hobbelig en smal en vooral in het begin, tot Jaipur, vrij druk. Bij het passeren van tegenliggers op de smalle wegen ontstond er telkens een kleine strijd tussen de tegenliggende chauffeurs om zelf zo min mogelijk de zachte berm in te hoeven: zonder vaart te minderen bleven beide chauffeurs (ook onze Magdzie) zo lang mogelijk op het midden van de weg rijden, oftewel recht op elkaar af. Net zolang tot één van de twee ietsje toegaf en de ander daar dan vervolgens omheen kon scheren. Magdzie verstond dit “chicken run” kunstje bijzonder goed, maar grote vrachtwagens was hij niet tegen opgewassen.
Al vóór Bharuch kregen we onze eerste grote reparatie: de behuizing van de achteras was uitgesleten. We moesten weer terug naar Baroda, waardoor het veldwerk in Bharuch niet doorging. De reparatie duurde een volle dag.
Die dag voornamelijk doorgebracht te gast bij professor Metha van de Dept. of Botany of the Baroda University. Wat kleine rondleidingen, discussie’s, eten, etc. ’s Avonds naar een Indian movie geweest (“Dil Kaa Heera”, diamant van mijn hart). Boeiend stukje “cultuur-snuiven” voor mij. Het thema, de plot en de karakters waren volkomen één-dimensionaal en de hele film was behoorlijk banaal. Ook de anderen vonden het zeker geen goede film, en niet typisch een Bollywood film. Dus dat moet ik toch nog eens checken.
Eén van de taken waar ik mij tijdens de jeep-tour in specialiseerde was het opstapelen en vastbinden van de bagage bovenop de jeep, waar mijn lengte goed bij van pas kwam. En ik bleek de vierde man te zijn om te kunnen bridgen, wat Pandeya, Paliwal, Saurabh en ik dan ook vaak hebben gedaan. Vaak zelfs tijdens de reis, achterin de jeep.

19 dec, Baroda
Omdat de vorige dag de reparatie op z’n zachtst gezegd klungelig en rommelig verliep en bovendien de jeep bij het wegrijden wat stroef stuurde, werd er nog als extra check een tweede garage bezocht. Daar bleek de stuurstang tussen de twee voorwielen op het punt te hebben gestaan om los te schieten. Volgens de mechanicien zou hij binnen twintig minuten zijn losgeschoten en de jeep in één klap onbestuurbaar hebben gemaakt. Oog van de naald. Maar gelijk ook weer een dag kwijt met nog meer reparaties… De dag daarop vertrokken we in alle vroegte (5:30). Maar ook nu klonken er weer wat verdachte geluiden uit de jeep en werd er toch nog eerst een aantal uren in een garage doorgebracht. Maar toen eindelijk verder naar Khandwa.
Onderweg veel op het landschap gelet. ’s Ochtens door een gebied van de “Phil” bevolking doorkruisd. De mannen zijn vaak boogschutters, en we moeten dit gebied bij daglicht passeren, want ’s nachts wordt het verkeer nog wel eens aangevallen. Af en toe zag ik inderdaad een man met een boog en een grote bos pijlen met ijzeren punten langs de weg lopen.
’s Middags kwamen we in een andere provincie: Madhya Pradesh. In de Gujarat -provincie waar we vandaan kwamen was alcohol verboden, maar Nadhya Pradesh was “nat” en dat werd gevierd met het inslaan en verorberen van grote flessen bier. Zelf was ik net verbouwereerd van het “beeld” op mijn netvlies van een wenende bedelares langs de kant van de weg. Soms komt zoiets gewoon recht naar binnen, in een onbewaakt ogenblik, lijkt het wel. Even geen behoefte aan bier.
Even later werd via de radio gemeld dat India met kricket Pakistan had verslagen: de jeep werd stopgezet en ietdereen begon uitbundig rond te springen en te schreeuwen…
21 dec, Khandwa
’s Ochtends veldwerk bij Khandwa, voor de rest van de dag vooral te gast geweest bij familie en relaties van Pandeya en Paliwal.
22 dec, Indoore
Vandaag naar Indoore gereden. Daar ’s avonds een bezoek gebracht aan een tempel die gebouwd was op één van de 12 plaatsen waar Shiva uit de aarde verrees, de zogenaamde jyotirlinga’s. Zeer heilig dus. Maar weinig indrukwekkend.
25 dec, Jaipur
Het landschap wordt geleidelijk kaler en kleurt rossig van het zandsteen dat hier aan de oppervlakte ligt. Licht glooiend, met regelmatig steile heuvels met op de toppen vaak forten: Rajasthan!
In Jaipur een dag zonder de professor doorgebracht (die moest voor een vergadering naar Agra) en… de sfeer was gelijk stukken beter…
Jaipur heeft als bijnaam de “Pink City”, die het dankt aan zijn oude gebouwen die uit het roze-bruine zandsteen zijn opgetrokken dat ik overal in Radjasthan al in het landschap had gezien. En de nieuwe huizen zijn ook weer in die kleur nageverfd, dus ja, pink dat klopt wel. Het is de stad van de grote forten en paleizen, en wij hebben één zo’n paleis bezocht, overigens zonder dat dat nou diepe indruk achterliet. Om de kerst te vieren heb ik maar eens op een slagroomtaartje getracteerd.
28 dec, Churu
Onderweg een bezoek gebracht aan een gebied met veel zandduinen, die de regering probeert vast te leggen. Eigenlijk was dit het eerste (en enige) stuk “echt” zandwoestijn, zoals wij dat van de kuifje albums kennen. Lekker in het zand lopen ravotten.
De rest van de zogenaamde “Thar” woestijn heeft overal toch nog altijd wel wat helm-achtige begroeiiing, waardoor het vaak aan onze open duinen en zeereep doet denken. Wat meespeelt is dat er in grote delen van het gebied op ca. een meter diepte een slecht doorlatende zandsteen-laag ligt, die voorkomt dat het (weinige) water dat er valt gelijk wegzakt uit de bodem. Zo kan het voorkomen dat er zelfs bovenop duintjes her en der nog gierst kan worden verbouwd.
31 dec 1979, Jaisalmer
Onderweg een zeer kaal en verlaten landschap. Nog langs Pokhran gekomen, een klein plaatsje met als twijfelachtige eer bekend te zijn van de ondergrodse kernproeven waarmee India zich in 1974 als atoommacht op de kaart zette.
Jaisalmer bleek een prachtige plaats, ook weer opgetrokken uit zandsteen, maar dit keer alles lichtgeel, prachtig helder. Ook nog eens met veel fraai gebeeldhouwde kozijnen, en op de top een groot fort. Het fort binnengaand zag ik voor het eerst in tijden ook weer veel touristen. Mede-touristen zou ik kunnen zeggen, maar door mijn indiase jeep-tocht voelde het toch niet zo en voelde ik mij meer bij mijn indiase mede-studenten horen (die overigens in kleine dorpjes zelf met net zulke grote verbazing werden gadegeslagen als ik).
’s Avonds hebben we oudjaar “gevierd”. Dit is een niet erg bekend feest in Idia en wordt vooral door de intellectuele elite aangegrepen als een excuus om alcohol te drinken. De meeste indiërs vieren nieuwjaars ergens in oktober met een groot feest waarin iedereen elkaar feliciteerd en er ook weer veel gedronken wordt.
Ons “feestje” verliep uitermate bedaard: er werd wat whisky on the rocks gedronken en om half twaalf begon iedereen zijn tanden al te poetsen. Als ik om twaalf uur niet was gaan handen schudden hadden ze deze ceremonie geluidloos voorbij laten gaan.
1 jan, 1980, Gadra
Verlaten wegen door vlaktes met her en der duintoppen. Op een paar plaatsen gestopt voor wat veldwerk, waarover later meer.
3 jan, Oostelijk van Barmer
Weer een vegetatiekunde plot opgemeten, dit keer met pal naast ons een kudde schapen die zo hun eigen manier veldwerk aan het verrichten waren.
Even verderop zaten 300 kraanvogels op de akker.
4 jan, Dandiwada
We verlaten nu weer het “woestijn” landschap en komen in een lager gelegen, semi-aride gebied waar ook veel kwel van zeewater optreedt.
6 jan, Dandiwada
Veel veldwerk deze dagen. Maar ik begin er steeds gemengdere gevoelens bij te krijgen, vooral overde manier waarop de mate van begroeiing door ons werd opgemeten. Hiervoor werden vaste proefvlakken bezocht (iedere jeeptour weer, dus zo’n 6 keer per jaar) en in deze gebieden werd dan één proefvlak gekozen, meestal van 1x1m met behulp van een raamwerk wat we bij ons hadden. Binnen dit proefvlak werd dan alle gras en andere planten tot op de bodem afgezaagd en per soort met een veerbalans gewogen. Ondergronds wordt vervolgens 25x25x25cm uitgegraven en afhankelijk van het beschikbare water uitgespoeld of uitgezeefd, om het gewicht aan wortels te bepalen.

Mijn gruwel was dat de plaatsing en bedoeling van de proefvlakken mij onduidelijk was, en zeker niet als willekeurig overkwam. Sommigen waren bewust met hoog gaas omheind om een idee te kunnen krijgen van de graasdruk. Maar als zo’n perceel dan in de tussentijd door herders opengeknipt bleek te zijn en de aanblik binnen en buiten het raster niet veel meer uitmaakte, dan werd er doodleuk toch maar een opname in het “niet-begraasde” stuk gemaakt. Daar waren de studenten het echt helemaal mee eens, want “anders waren we toch voor niets gekomen?”.
Of het proefvlak bestond uit een typische begroeiing van her en der een grote pol gras en daaromheen volstrekt kaal. Dan werd het 1x1m-raam haast triomfantelijk precies over zo’n grote pol heengelegd (en dan het liefst één met veel Cenchrus ciliaris, want dat gras was Pandeya’s specialiteit), en vrolijk daarop ingehakt. Op mijn vraag waarom niet het proefvlak random gekozen was, werd ik echt verwonderd aangekeken: “Een meter verderop zou toch geen zin hebben? daar groeide niks!”. En eh nee, er werd geen poging gedaan om het oppervlak aan pollen t.o.v. kale vlakte te meten.
Een tweede vorm van onderzoek was dat er regelmatig gekeken werd naar wat er zoal geteeld werd, inclusief bemonstering van de akkers en vragen aan de boeren over hun oogstmethoden.
Een derde type onderzoek vond ik nog het leukst om mee te maken: Af en toe werd er een soort interview-onderzoek gedaan bij een ogenschijnlijk willekeurig dorp (geen idee hoe die geselecteerd werden). Er werden vragen gesteld over teelt-areaal, soorten gewassen , samenstellig van de bevolking, welke problemen het dorp het hoofd moest bieden, enz. Ontroerende ontmoetingen met super-gastvrije en te-goeder-trouwe mensen. Terwij wij hen niets te bieden hadden, kregen we wel altijd gelijk thee en een maaltijd aangeboden.
7 jan, Bhuj
We komen in een voornamelijk vlak gebied met uitgebreide kale zoutpannen en moerassen: de Rann of Kutch. Laatste verblijfplaats van wilde ezels, waarvan er toen nog zo’n 200 over waren (waarvan wij er 30 in de verte hebben zien lopen.
Hier ook weer alle dagen ons “veldwerk” verricht. Voor sommige plots moesten we lange tijd offroad rijden, wat ik wel stoer vond.
10 jan, Raikot
Onderweg nog door Morbi gekomen, waar op 11 aug 1979 een dam was doorgebroken waarbij officieel 10000 mensen omkwamen (officieus het dubbele).
In het plaatsje zelf geprobeerd een voorstelling te maken van de ramp: de vloedmerken bekeken die twee meter boven mijn hoofd liepen, kijkend over straat een groepje van 10 mensen genomen, en dat dan met 2000 proberen te vermenigvuldigen. Onmogelijk. Kippenvel.
10 jan, Rajkot
Net vanavond teruggekomen van de jeeptour. We werden met gejuig binnengehaald door de rest van de campus-bewoners.
Al met al 26 dagen weggeweest, die voorbij zijn gevlogen. Met zeven mannen (Prof. Pandeya, Dr. Paiwa, Sarat, Kulkarni, Saurabh, Mathur en onze chauffeur Magdzie) vier weken doorgebracht in een gammele jeep, hotelkamers, op steppes, in restaurants, theehutjes, bij dorpelingen, enzovoort. Iedereen is me sympathiek geworden. Iedereen, op één na: de professor zelf. Die vond ik vaak onhebbelijk, met een voorliefde voor commanderen. En alles ging op zijn manier: als hij overdag last van zijn maag had werd er niet gegeten. En als het ’s avonds weer beter met hem ging werd er een grote vette maaltijd aangeschaft bij het vallen van de nacht. Later nog wat verder in vertrouwen genomen door de mede-studenten en begrepen hoe ze aan het lijntje gehouden werden door Pandeya, telkens wachtend tot de professor tijd vond om op basis van hun onderzoeksgegevens een verhaal te schrijven met zijn naam eronder, en de gewraakte handtekening af te geven dat ze hun research-fellowship volbracht hadden. Als iets de professor niet beviel dan kon hij gerust een jaar lang zogenaamd nog geen tijd hebben om eraan te beginnen. Voortijdig opstappen was dan geen optie voor de studenten want dan zouden ze alle geld dat de universiteit zogenaamd in hun geïnvesteerd had, moeten terugbetalen. Ik heb later, in februari, vanuit Goa, nog een brief hierover geschreven naar professor Misra, een vriendelijke oude man waar Pandeya nog college van had gekregen. Kansloos natuurlijk dat hij daar wat mee kon, ik denk dat ik die brief uiteindelijk meer voor mezelf geschreven heb.
14 feb, Rajkot
De laatste weken op de campus zijn eigenlijk ook weer voorbijgevlogen.
Veel opgetrokken met Mathur en Mr. Bhalt, en verder met Yagnesh, Pradhan en Girish. Stuk voor stuk erg aardige jongens.
Gister bijvoorbeeld bij Pradhan langs geweest in Rajkot. Mathur en Mr Bhalt kwamen daar ook naartoe, na een urenlange marathon-sessie met de professor over hun thesis. Wat gepraat, guitaar gespeeld en ’s nachts teruggelopen naar de campus, vijf km buiten de stad. De weg is nu grotendeels verhard en het campus-terrein verlicht.
De dag ervoor bij Saurabh wezen avondeten. Komend weekend met Bhavbhuti mee naar zijn familie in Bhavnagar, samen met Girish. Met hun daar wat gevogeld op de slikplaten buiten dit havenstadje. Bhavbuti bestudeerd een reigersoort, waarvan we daar een roestplaats hebben bezocht. Op de slikplaten deden andere, donkergrijze reigers verwoedde pogingen om slijkspringers te vlug af te zijn. Maar deze te gekke beestjes zag ik steeds op tijd terugspringen in hun holen in het slik. Die slijkspringers zijn bizarre verschijningen en houden het midden tussen een vis, een kikker en een salamander. Uiteindelijk zagen we een reiger die er toch één te pakken had, maar die werd op zijn beurt weer zwaar achtervolgd door reuzenzwartkopmeeuwen, brahmaanse wouwen en nog weer andere reigers. Ook nog een paar meren bezocht met pelikanen, casarca’s fluiteenden lepelaars, enz. En verder weer een les in gastvrijheid kunnen genieten van dit keer de familie van Bhavbhuti, echt ontzettend hartelijk en gezellig. Overdag op de campus bezig geweest met mijn verslag van de jeeptour. Dat is nu in een klad-versie uitgetypt en wordt dan door Pandeya geredigeerd en vervolgens nog weer in het net uitgetypt. Dat ga ik niet afwachten. Ik zie hier teveel studenten bezig met niets anders dan wachten op de grillen van Pandeya. Daar ga ik niet aan meedoen. Wel weer zin om nog wat te reizen en meer van India te zien.
Mijn ouders stuurden op mijn verzoek een doos met oude postzegels. Die zijn dankbaar ontvangen. Ik meende dat het voor neefjes en nichtjes van de studenten bedoeld was, maar nee hoor, ze zijn er vooral zelf erg blij mee. En diezelfde week krijg ik toevallig een aardige brief van Pieter Kettner van Vegetatiekunde waarin hij als PS vraagt om wat indiase postzegels voor hem te bewaren. Nou ja…
 10 maart, Randwijk.
De rest van de reis geen dagboek meer van bijgehouden. Ik herinner me dat ik nog heerlijk gewandeld heb over dijkjes langs terassen-akkers in Dharmsala, met overal voorjaars-bloemen als crocussen en geelster, prachtige verscholen dorpjes, alles stralend licht-groen. Het plaatsje zelf is de verblijfplaats van de uit Tibet verdreven Dalai Lama. De straten kleurden vrolijk van alle donkerrode gewaden van de monniken. Wel grappig om te zien dat die “monniken” veel met eten, drinken en ook wel gokspellen op straat bezig waren, en geen poging deden om er devoot uit te zien. Ook iets hoger in de Himachal Pradesh nog fraaie natuurwandelingen gemaakt met hellingen vol Rododendron en lammergieren die op ooghoogte vlak langs scheerden.

Voor de rest zachtjes aan teruggereisd naar Karachi om vandaaruit het vliegtuig weer te pakken. In de tussentijd hadden studenten-vrienden met wie ik de zomer daarvoor op vakantie in de Vogezen was geweest, een boerderij weten te huren in Randwijk, waar een kamer voor me klaar stond. Dat was natuurlijk ook weer fijn thuiskomen.